Alle soorten › Hoenderachtigen › Fazantachtigen › Roodvleugelfrankolijn

Roodvleugelfrankolijn | Scleroptila levaillantii

Red-Winged Francolin | Francolín Alirrojo

De roodvleugelfrankolijn is een grote frankolijn van hoog, dicht montaan grasland, met een ingewikkelde kopentekening, een brede roestrode halsband en in de vlucht uitgebreid roestrode vleugels. Hij houdt zich schuil in hoog gras op berghellingen en valleibodems en is vooral aan zijn roep te herkennen.

Roodvleugelfrankolijn (Scleroptila levaillantii)
Foto: Peter Robson — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Een helder, fluitend, drieledig tsjie-tsjie-tsjirrip, vaak in reeksen herhaald en door meerdere vogels beantwoord, vooral bij zonsopgang; heller en metaliger dan de roep van Shelleys frankolijn. Bij verstoring een snel, scherp tsjak-tsjak-tsjak.

Luister: RoepXC796995

Opname: Michael John O Mahony — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

35–39 cm, gedrongen, met gele poten. De kop is tekenrijk: een lichte wenkbrauwstreep, een zwarte oogstreep en een witte tot roomgele keel, omzoomd door een zwarte lijn die aan de halszijde overgaat in een brede roestbruine band over de onderhals. Daaronder een halsketting van zwarte en witte vlekken over de bovenborst. De rest van de onderkant is okerbeige met roestbruine en donkere vlekken; de bovendelen zijn bruin met zwart, roestbruin en crème geschubd en gestreept. In de vlucht zijn de handpennen voor het grootste deel roestrood, een groter en helderder vlak dan bij verwante soorten. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

Shelleys frankolijn Scleroptila shelleyi mist de brede roestbruine halsband en heeft een buik met opvallende zwart-witte bandering en vlekken; het roest in de vleugel is kleiner. De grijsvleugelfrankolijn Scleroptila afra heeft een grijs gespikkelde keel en grijze in plaats van roestrode handpennen. Archers frankolijn Scleroptila gutturalis van het drogere westen is bleker, met een smalle roestbruine keelomranding en een vrijwel ongevlekte bleke buik.

Leefgebied

Dicht, hoog en tamelijk ongestoord grasland op berghellingen, hoogvlakten en in valleien, vaak in vochtige laagten, langs graslandbeken en aan bosranden, van middelhoge tot grote hoogte. Foerageert in paren of kleine groepen op zaden, bollen, knollen en insecten. Mijdt kort begraasd en vaak afgebrand grasland.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In Zuid-Afrika in het oostelijke hoogveld, de Drakensberg en de graslanden van Mpumalanga, KwaZoeloe-Natal, de oostelijke Vrijstaat en de Oostkaap; verder in Lesotho, Eswatini, plaatselijk in de oostelijke hooglanden van Zimbabwe, op het Nyika-plateau in Malawi en Zambia en in de hooglanden van Angola. Buiten het gebied in de hooglanden van Oost- en Centraal-Afrika, van Tanzania en Congo-Kinshasa tot Kenia en Oeganda.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Luister bij zonsopgang op de graslandhellingen van de Drakensberg, bijvoorbeeld langs de passen van de Oostelijke Hooglanden of in de Mpumalanga-hooglanden bij Dullstroom. In de vlucht is het grote roestrode vleugelvlak het beste kenmerk; op de grond blijft de vogel meestal onzichtbaar. Het Nyika-plateau is de beste plek in het noorden van het gebied.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, maar in zuidelijk Afrika achteruitgegaan door omzetting van grasland naar bosbouwplantages en akkers, overbegrazing en te frequent afbranden. Hij wordt bejaagd als wildsoort en reageert gevoelig op intensief beheer van grasland.

Wetenschappelijke naam

Scleroptila levaillantii | (Valenciennes, 1825)

Valenciennes beschreef de soort in 1825 als Perdix Levaillantii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Scleroptila werd in 1849 ingevoerd door Blyth. Scleroptila komt van het Griekse sklēros, 'stijf', en ptilon, 'veer' — 'met stijve veren'. levaillantii is een eerbetoon aan de Franse ontdekkingsreiziger en vogelkundige François Levaillant (1753–1824), die in Zuid-Afrika reisde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.