Alle soorten › Zangvogels › Afrikaanse zangers › Roodstuitrotszanger

Roodstuitrotszanger | Achaetops pycnopygius

Rockrunner | Saltarrocas de Damara

De roodstuitrotszanger is een van de bijzondere bijna-endemen van Namibië: een gestreepte, langstaartige zanger die over rotsblokken en door graspollen rent en vanaf een steen een kenmerkende zang van het westen laat horen. Zijn verwantschap was lang onduidelijk; tegenwoordig wordt hij met de grasvogels in de familie Macrosphenidae geplaatst.

Roodstuitrotszanger (Achaetops pycnopygius)
Foto: Peter Erb — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Een luide, rollende en zeer melodieuze zang van heldere fluittonen en trillers, vaak ingezet met enkele losse tonen, zoals tip-tip… tiedel-die-doe-doe-wiet, gezongen vanaf een rotsblok of een pol gras. Paren zingen soms in duet. Het alarmgeluid is een scherp, droog tsjak.

Luister: ZangXC622180

Opname: Meena Haribal — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

17–18 cm. Kop en rug zijn zwart-wit tot bruin gestreept, met een duidelijke witte wenkbrauwstreep, een donkere oogstreep en een zwarte baardstreep langs de witte keel. De borst is wit met zwarte stippen en strepen aan de zijkanten; buik, flanken, stuit en onderstaartdekveren zijn warm roestbruin. De lange, donkere staart wordt vaak opgewipt of gespreid. De vleugels zijn kort en afgerond; de vogel vliegt weinig en rent liever. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De Hererotapuit Namibornis herero, die hetzelfde terrein bewoont, heeft geen strepen op de rug, een roestbruine stuit en staart met een donkere eindband, en zit rechtop op struiken. De roodstaartspekvreter Oenanthe familiaris is ongestreept grijsbruin met een roestkleurige staart. De kopjeszanger Euryptila subcinnamomea is veel kleiner, met een kastanjebruine borstband en een donkere, opgewipte staart. De tapuitklauwier Lanioturdus torquatus is zwart-wit-grijs met een korte witte staart.

Leefgebied

Grazige, met rotsblokken bezaaide heuvelhellingen, kopjes en de voet van het escarpement, met verspreide struiken en dichte graspollen, van ongeveer 500 tot 2000 m. Rent over rotsen en door het gras, en zoekt insecten op en vlak boven de grond.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Bijna-endemisch voor Namibië en het zuidwesten van Angola. In Namibië in het centrale hoogland en langs het westelijke escarpement, van het Khomas-hoogland en de Erongo noordwaarts tot de Waterberg en het Kaokoveld. In Angola in het westen en zuidwesten, in de provincies Namibe, Huíla en Benguela, noordwaarts tot in Cuanza Sul.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond. Goede plekken zijn de Erongo, de Spitzkoppe, het Waterberg-plateau en de heuvels rond Windhoek. Bij zonsopkomst zingen de vogels vanaf rotsblokken en zijn ze het vaakst te zien; later op de dag verdwijnen ze tussen de graspollen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; binnen zijn beperkte verspreidingsgebied vrij algemeen. Het rotsachtige, grazige habitat wordt weinig bedreigd, al kan overbegrazing de graspollen waarin hij leeft plaatselijk aantasten.

Wetenschappelijke naam

Achaetops pycnopygius | (Sclater, 1853)

Sclater beschreef de soort in 1853 als Sphenoeacus pycnopygius; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Achaetops werd in 1922 ingevoerd door Roberts. Achaetops komt van het Latijnse ad- (vóór c tot a- verkort), 'lijkend op', en de geslachtsnaam Chaetops (rotsspringers). Roberts (1922) scheidde de soort af van Chaetops, omdat ze duidelijk kortere poten en zachtere kruinveren heeft. pycnopygius komt van het Griekse puknos, 'dicht', en pugē, 'stuit' — naar de dichte, roodbruine stuit- en onderstaartveren. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Damaraland, Namibië; later beperkt tot het Erongogebergte.