Alle soorten › Zangvogels › Graszangers › Roodmaskergraszanger

Roodmaskergraszanger | Cisticola erythrops

Red-Faced Cisticola | Cistícola Carirrojo

De roodmaskergraszanger is een ongestreepte graszanger van ruige oeverbegroeiing, met een warm roodbruin gezicht dat hem in elk kleed onderscheidt. Hij zingt niet in een zangvlucht maar vanuit struiken en riet, met een luide, explosieve reeks tonen die in duet klinkt. In het gebied is hij wijdverspreid in het noorden en oosten, zuidwaarts tot in het laagveld van Zuid-Afrika.

Roodmaskergraszanger (Cisticola erythrops)
Foto: Alandmanson — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zeer luide, explosieve reeks, oplopend in snelheid en toon, wie-wie-wie-WIEP-WIEP-WIEP of tsjwie-tsjwie-tsjwie, vaak als duet waarbij de partner met snelle tsjip-tsjip-tonen invalt. Contact- en alarmroep een scherp tsjip of een droog tsjrr. Geen zangvlucht; zingt vanuit de begroeiing of van een verhoogde tak, en laat zich ook buiten het broedseizoen horen.

Luister: ZangXC1103174

Opname: Jaap van der Waarde — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12–13 cm, een vrij grote, stevige graszanger met een middellange staart. De bovendelen zijn egaal grijsbruin zonder strepen, de kruin gelijk van kleur als de rug of iets warmer, zonder duidelijke roodbruine kap. Teugel, wenkbrauw, wangen en oorstreek zijn helder roodbruin tot okerrood en vormen een 'masker' dat met de kruin contrasteert. De onderdelen zijn vuilwit met warm okerbruine flanken en borst. De staart is grijsbruin met een donkere voorpunt en lichte top. De snavel is donker, de poten roze. Buiten de broedtijd is het kleed warmer en bruiner, de staart langer, maar het roodbruine gezicht blijft. De seksen zijn gelijk; het mannetje is iets groter.

Verwarrings­soorten

De witbrauwgraszanger Cisticola cantans heeft een roodbruine kruin en een roodbruin vleugelpaneel, maar een lichte in plaats van roodbruine gezichtstekening en zingt met twee- tot drielettergrepige fluittonen. De ratelgraszanger Cisticola chiniana heeft een gestreepte rug en een roodbruin gestreepte kruin en ratelt vanaf een struik in drogere savanne. De valleigraszanger Cisticola tinniens, de zwartruggraszanger Cisticola galactotes en de Luapulagraszanger Cisticola luapula leven ook in natte begroeiing maar hebben een zwart gestreepte rug. De moerasgraszanger Cisticola pipiens heeft eveneens een gestreepte rug en leeft in papyrus en riet. Een ongestreepte graszanger met een roodbruin gezicht is een roodmaskergraszanger.

Leefgebied

Ruige, dichte begroeiing langs rivieren, beken en vleien: hoog gras, riet, struikgewas en ranken aan oevers en bosranden, ook aan de randen van suikerriet- en andere akkers en in ruige tuinen bij water. Mijdt open grasland zonder struiken. Foerageert laag in de begroeiing op insecten, in paren of familiegroepjes.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied wijdverspreid in Angola, behalve het droge zuidwesten, en in Zambia, Malawi en Mozambique; in Zimbabwe in het Zambezidal, het noorden en het oosten en langs de rivieren van het laagveld; in Zuid-Afrika in het laagveld van Limpopo en Mpumalanga en in het noordoosten van KwaZulu-Natal; verder in het laagveld van Eswatini. Daarbuiten van Senegal oostwaarts tot Ethiopië en zuidwaarts door Oost-Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond; goede plekken zijn de rivieroevers in het Kruger National Park (onder meer langs de Sabie en bij de dammen), Mkhuze en de omgeving van de Victoriawatervallen. Luister naar de explosieve, oplopende reeks uit het oeverstruweel; de vogel reageert sterk op een kort geluidsfragment, maar houdt zich meestal half verborgen in de begroeiing. Door het ongestreepte kleed en het roodbruine gezicht onderscheidt hij zich van de meeste graszangers.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen in een groot areaal. Plaatselijk verdwijnt geschikte oeverbegroeiing door kappen, overbegrazing en ontginning van rivieroevers, maar de soort gedijt ook in ruigte langs kanalen en akkers.

Wetenschappelijke naam

Cisticola erythrops | (Hartlaub, 1857)

Hartlaub beschreef de soort in 1857 als Drymoeca erythrops; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cisticola werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Cisticola is gevormd uit het Griekse kisthos 'cistusroos' en het Latijnse colere 'bewonen'. erythrops komt van het Griekse eruthros, 'rood', en ōps, 'gezicht' — naar het roodbruine gezicht. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Calabar, Nigeria.