Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers en tapuiten › Roodbuikkliftapuit

Roodbuikkliftapuit | Thamnolaea cinnamomeiventris

Mocking Cliff Chat | Roquero Imitador

De roodbuikkliftapuit is een grote tapuit van beboste rotsheuvels en kloven, met een lange staart die hij langzaam opheft en uitwaaiert. Het mannetje is glanzend zwart met een witte schoudervlek en een kastanjerode buik; de zang, vol nabootsingen, weerkaatst tegen de rotswanden.

Roodbuikkliftapuit (Thamnolaea cinnamomeiventris)
Hoofdfoto · Foto: Ken and Nyetta — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Een luide, rijke en welluidende zang van fluittonen en korte strofen, met veel nabootsingen van andere vogels, zoals lawaaimakers, bulbuls en roofvogels; paren zingen vaak in duet. De roep is een hard tsjak of tsjoek; bij onraad een reeks hoge alarmnoten.

Luister: ZangXC935878

Opname: Daan van der Hoeven — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

20–21 cm, een grote, langstaartige tapuit. Het mannetje is glanzend blauwzwart op kop, rug, borst, vleugels en staart, met een opvallende witte vlek op de kleine vleugeldekveren en een diep kastanjerode buik, stuit en onderstaartdekveren. Het vrouwtje heeft een donker leigrijze kop, rug en borst en een warm roestrode buik en stuit, zonder witte schoudervlek. Snavel en poten zijn zwart. Jonge vogels lijken op het vrouwtje. Hopt en rent behendig over rotsen, heft de staart langzaam en laat hem gespreid weer zakken.

Verwarrings­soorten

De steenspringer (Pinarornis plumosus) van de granietkoppies van Zimbabwe en Botswana is bruinzwart zonder roestrode buik, met witte vlekken in vleugel en staartpunt. De Kaapse rotslijster (Monticola rupestris) heeft een blauwgrijze kop en een roestoranje staart. De roodvleugelspreeuw (Onychognathus morio) is groter, geheel glanzend zwart met roodbruine handpennen die alleen in de vlucht opvallen. Arnots miertapuit (Myrmecocichla arnotti) heeft een witte kruin of keel en geen roestrode buik.

Leefgebied

Rotsige, beboste heuvels, koppies, kloven en steile rivieroevers met grote rotsblokken, in savanne en bosveld; ook rond gebouwen en kampen in rotsig terrein, waar hij tam kan worden. Foerageert op de grond en tussen rotsen op insecten, en eet ook vruchten en nectar. Broedt vaak in het verlaten modderen nest van een zwaluw, anders in een napje in een rotsspleet.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied vooral in het oosten en noorden: Limpopo, Mpumalanga en het binnenland van KwaZulu-Natal, Eswatini, het oosten van Botswana, grote delen van Zimbabwe, het westen van Mozambique, Malawi en het oosten en zuiden van Zambia. Daarbuiten plaatselijk in rotsige streken van Oost-Afrika tot Ethiopië, en met verwante vormen in West-Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Regelmatig te zien in de Matobo-heuvels in Zimbabwe, in de rotsige heuvels rond Pafuri en Punda Maria in het Krugerpark en in de Magaliesberg. Zoek aan de voet van beboste rotswanden en in kloven en luister naar de rijke zang met nabootsingen. Rond kampen en picknickplaatsen komt hij vaak dichtbij om kruimels te zoeken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is plaatselijk algemeen en haar rotsige leefgebied is weinig bedreigd. Ze profiteert van gebouwen en bruggen waar zwaluwen nestelen, omdat ze die nesten overneemt.

Wetenschappelijke naam

Thamnolaea cinnamomeiventris | (de Lafresnaye, 1836)

De Lafresnaye beschreef de soort in 1836 als Turdus cinnamomeiventris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Thamnolaea werd in 1851 ingevoerd door Cabanis. Thamnolaea komt van het Griekse thamnos, 'struik', en laios, 'lijster' — een 'struiklijster'. cinnamomeiventris komt van het Latijnse cinnamomeus, 'kaneelkleurig', en venter, 'buik' — naar de kaneelrode buik. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaapprovincie, Zuid-Afrika.