Alle soorten › Eendachtigen › Eenden en ganzen › Roodbekpijlstaart

Roodbekpijlstaart | Anas erythrorhyncha

Red-Billed Teal | Ánade Piquirrojo

De roodbekpijlstaart is een middelgrote bruine grondeleend met een helderrode snavel en een donkere kap boven lichte wangen. Het is een van de talrijkste eenden van zuidelijk Afrika, die na de regens in duizendtallen op tijdelijke pannen en overstroomde vlaktes kan verschijnen.

Roodbekpijlstaart (Anas erythrorhyncha)
Hoofdfoto · Foto: DickDaniels (http://carolinabirds.org/) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Weinig vocaal. Het mannetje geeft een zacht, fluitend whizzt bij de balts, het vrouwtje een zacht, hees kwaken, kwek, in korte reeksen.

Luister: RoepXC649290

Opname: Lynette Rudman — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

43–48 cm, met een vrij lange hals en een puntige staart. De kruin en de achterhals zijn donker chocoladebruin tot net onder het oog en steken scherp af tegen bleek roomwitte wangen en keel. Lichaam bruin, dicht geschubd en gevlekt met licht beige. De snavel is helder roze-rood met een donkere rug van de bovensnavel. In de vlucht een bleek roomkleurige tot lichtbeige spiegel, zonder groen, en donkere voorvleugel. De seksen zijn gelijk; het vrouwtje heeft een iets doffere snavel. Jonge vogels zijn doffer met een bruinroze snavel.

Verwarrings­soorten

De gouden taling Spatula hottentota heeft eenzelfde patroon van donkere kap en lichte wangen, maar is veel kleiner, heeft een blauwe snavel en een donkere vlek op de oorstreek. De Kaapse taling Anas capensis heeft ook een roze snavel, maar een bleke, gespikkelde kop zonder kap en een groene spiegel met witte randen. De geelsnaveleend Anas undulata is groter en donkerder, met een gele snavel. Vrouwtjes van de pijlstaart Anas acuta, een zeldzame wintergast, missen de donkere kap en hebben een grijze snavel.

Leefgebied

Ondiep zoet water met veel oever- en drijfplanten: vleien, overstroomde graslanden, pannen, boerendammen, rioolvijvers en de randen van moerassen. Foerageert grondelend op zaden, waterplanten, rijst en graan, en daarnaast op waterinsecten, slakken en kreeftjes; groepen foerageren ook op stoppelvelden bij het water. Nestelt op de grond tussen gras of riet dicht bij het water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Over vrijwel het hele gebied verspreid, het talrijkst in Botswana (Okavangodelta en Makgadikgadi), Namibië (noorden en Caprivi), Zimbabwe, Zambia en de Zuid-Afrikaanse hoogveld- en Vrijstaatpannen; verder in Malawi, Mozambique, Eswatini, Lesotho en het zuiden van Angola. Ontbreekt alleen in de kale Namib en de droogste delen van de westelijke Karoo. Buiten het gebied in Oost-Afrika tot Ethiopië en op Madagaskar.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Na de zomerregens op pas gevulde pannen en tijdelijke poelen, waar grote groepen samenkomen; in de droge winter op permanente dammen en rioolvijvers. De rode snavel en de donkere kap zijn op afstand goed te zien. Bekijk groepen goed op gouden talingen en Kaapse talingen, die er vaak tussen zwemmen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en algemeen. Een populaire jachtsoort; plaatselijk wordt hij bejaagd rond graanvelden. De populaties schommelen met regen en overstromingen, en hij heeft geprofiteerd van dammen en irrigatie. Vogelgriep en botulisme veroorzaken af en toe massale sterfte op ondiepe wateren.

Wetenschappelijke naam

Anas erythrorhyncha | Gmelin, 1789

Gmelin beschreef de soort in 1789 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Anas werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Anas is het Latijnse woord voor 'eend'. erythrorhyncha komt van het Griekse eruthros, 'rood', en rhunkhos, 'snavel', naar de roze-rode snavel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.