Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Oorgier

Oorgier | Torgos tracheliotos

Lappet-Faced Vulture | Buitre Orejudo

De oorgier is de grootste en krachtigste gier van Afrika, met een kale rode kop met hangende huidplooien en een enorme, hoge snavel. Bij een kadaver domineert hij de andere gieren en scheurt hij taaie huid en pezen open die de kleinere soorten niet aankunnen.

Oorgier (Torgos tracheliotos)
Foto: Yathin sk — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Grotendeels stil. Bij kadavers een laag gegrom, gesis en blafachtige geluiden bij het verdrijven van andere gieren.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.

Herkenning

Ongeveer 105 cm, spanwijdte tot bijna drie meter. De kop en de nek zijn kaal en diep roze tot rood, met grote huidplooien ('oren') aan de zijkant van de kop. De snavel is zeer zwaar, hoornkleurig tot geelachtig met een donkere punt. Het lichaam is donkerbruin met lange, lansvormige veren op de borst die over een lichte, donzige ondergrond vallen; de dijen zijn wit bevederd. De poten zijn grijs. De geslachten zijn gelijk; het vrouwtje is iets groter. Jonge vogels zijn egaal donkerbruin met een roze-grijze kop en bruine dijen, en krijgen de witte dijen en de rode kop pas na zes jaar of langer. In de vlucht vallen de zeer brede, rechthoekige vleugels, de korte wigvormige staart en een smalle witte lijn langs de voorrand van de ondervleugel op, met de witte dijen als lichte vlekken onder het lichaam.

Verwarrings­soorten

De witkopgier (Trigonoceps occipitalis) is kleiner met een witte, driehoekige kop, een rode snavel en een witte buik. De witruggier (Gyps africanus) en de Kaapse gier (Gyps coprotheres) hebben een lange nek met een kraag en een grijze of blauwachtige kop, en lichte ondervleugeldekveren die contrasteren met de donkere slagpennen. Jonge oorgieren kunnen op een donkere jonge witruggier lijken, maar de massieve snavel en de brede, rechthoekige vleugels maken het verschil.

Leefgebied

Droge savanne, Kalahari-doornveld, halfwoestijn en de randen van de Namib, ook open vlakten in natter savannegebied; mijdt dichte bossen en hooggebergte. Eet aas, vooral huid, pezen en botten, maar doodt ook kleine dieren en haalt prooien van andere roofvogels. Nestelt solitair op een groot, plat takkennest boven op een platgekroonde acacia; broedt in de droge tijd.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied het talrijkst in Namibië (vooral in het westen en langs de randen van de Namib) en Botswana, verder in Zimbabwe, Zambia, het zuiden van Angola en Mozambique; in Malawi zeer schaars. In Zuid-Afrika beperkt tot het Kgalagadi-grenspark en de noordelijke Kaap, het Krugerpark en omgeving, en een kleine populatie in noordelijk KwaZulu-Natal; ook in Eswatini. Buiten het gebied verspreid door Oost-Afrika tot Egypte, in de Sahel en in het Arabisch Schiereiland, maar sterk teruggelopen of verdwenen in grote delen van West-Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in de Kgalagadi, Etosha, de Namib-Naukluft en het noorden van Kruger. Bij een kadaver staat de oorgier meestal wat terzijde tot het eerste gedrang voorbij is en stapt dan op de karkas af, waarop de kleinere gieren wijken. In de vlucht is hij te herkennen aan zijn enorme, plankvormige vleugels en de manier waarop de kop diep tussen de schouders ligt.

Staat van instandhouding

Bedreigd op de Rode Lijst. De populatie is in een paar generaties sterk afgenomen door vergiftiging, zowel onbedoeld via gif dat voor jakhalzen en katachtigen wordt uitgelegd als gericht door stropers, door handel in gierendelen voor traditioneel gebruik, aanvaringen met hoogspanningslijnen en verdrinking in reservoirs op boerderijen. In Namibië en Zuid-Afrika lopen ringprogramma's en projecten tegen vergiftiging.

Wetenschappelijke naam

Torgos tracheliotos | (Forster, 1796)

Forster beschreef de soort in 1796 als Vultur tracheliotus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Torgos werd in 1828 ingevoerd door Kaup. Torgos is een oud Grieks woord voor 'gier'. tracheliotos komt van het Griekse trachēlos, 'nek', en ous, ōtos, 'oor' — naar de huidlellen ('oren') aan de zijkant van de kale nek. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Groot-Namakwaland, Namibië.