Alle soorten › Steltloperachtigen › Jagers › Middelste jager

Middelste jager | Stercorarius pomarinus

Pomarine Jaeger | Págalo Pomarino

De middelste jager is de grootste en zwaarste van de drie kleinere jagers, een krachtige piraat die vis steelt van jan-van-genten en meeuwen en ook zelf zeevogels aanvalt. Adulten in broedkleed dragen opvallende, gedraaide lepelvormige staartpennen.

Middelste jager (Stercorarius pomarinus)
Foto: peterichman — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Kleedvormen

Middelste jager, lichte vorm (verreweg de talrijkste), met zwarte kap en gele wangen
Lichte vorm (verreweg de talrijkste), met zwarte kap en gele wangen · Foto: Afsarnayakkan — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Buiten de broedtijd vrijwel zwijgend; soms een schor wek-wek bij ruzies om voedsel.

Luister: RoepXC1060884

Opname: Benjamin Drillat — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

46–51 cm, inclusief de verlengde staartpennen; bij adulten in broedkleed zijn die breed, stomp en een kwartslag gedraaid, zodat de staart een verdikt uiteinde lijkt te hebben. Groot en borstig, met een brede vleugelbasis en een zware, tweekleurige snavel met bleke basis en donkere punt. De lichte vorm, verreweg de talrijkste, heeft een zwarte kap, gele wangen, witte onderdelen, een donkere, vaak gevlekte borstband en gebandeerde flanken; de donkere vorm is geheel donkerbruin. De witte vleugelvlek aan de basis van de handpennen is duidelijk; jonge vogels tonen daarnaast een tweede bleke halve maan op de ondervleugel, aan de basis van de grote ondervleugeldekveren. Jonge vogels zijn koel donkerbruin met een egale kop en gebandeerde staartdekveren. De vlucht is gelijkmatig en krachtig.

Verwarrings­soorten

De kleine jager Stercorarius parasiticus is slanker, met een smallere vleugelbasis, een fijnere snavel, puntige staartspitsen en een snellere, wendbaardere vlucht. De bruine jager Stercorarius antarcticus is groter en nog breder gevleugeld, zonder verlengde staartpennen, met grotere witte vleugelvlekken en een egaal donkerbruin kleed. Jonge donkere middelste jagers lijken op afstand op een kleine bruine jager, maar tonen de dubbele bleke halve maan op de ondervleugel.

Leefgebied

Open zee en kustwateren, vooral boven het continentaal plat, soms tot in grote baaien en havens. Steelt vis van jan-van-genten, meeuwen en sterns, valt ook kleinere vogels aan en eet afval van vissersschepen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Voor de hele kust van het gebied, van Angola tot Mozambique; talrijker voor de westkust (Namibië en de Westkaap) dan in het oosten, al wordt hij ook voor KwaZulu-Natal geregeld gezien. Bij stormachtig weer soms vanaf land te zien. Broedt op de toendra van Arctisch Rusland, Alaska en Canada; overwintert op tropische en subtropische zeeën.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De meeste kans is er op pelagische tochten vanuit Kaapstad of Walvisbaai, of vanaf zeeweringen en kapen bij aanlandige wind. Let op de trage, krachtige vleugelslag, de brede borst en de zware snavel; zonder lepels in de staart kan een adulte vogel worden verward met een grote kleine jager.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Het broedsucces varieert sterk met de lemmingstand; buiten de broedtijd zijn de bedreigingen beperkt, al komen vogels om als bijvangst van de visserij.

Wetenschappelijke naam

Stercorarius pomarinus | (Temminck, 1815)

Temminck beschreef de soort in 1815 als Lestris pomarinus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Stercorarius werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Stercorarius is Latijn voor 'van de mest', van stercus 'mest': het voedsel dat opgejaagde zeevogels uitbraakten werd vroeger voor uitwerpselen aangezien. pomarinus is een samentrekking van het Griekse pōma 'deksel' en rhis 'neus': de neusgaten liggen onder het hoornige dekseltje op de snavel, de washuid. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit het noordpoolgebied van Europa.