Alle soorten › Flamingo's › Flamingo's › Kleine flamingo
Kleine flamingo | Phoeniconaias minor
Lesser Flamingo | Flamenco Enano
De kleine flamingo is de kleinste van de flamingo's en herkenbaar aan de donkerrode snavel, die op afstand zwart lijkt. Hij filtert blauwalgen uit brakke en alkalische wateren en verzamelt zich soms met tienduizenden tegelijk op ondiepe pannen.
Geluid
Een hoog, murmelend kwirrik en een ganzachtig getoeter. Een grote groep produceert een aanhoudend gemurmel dat over de pan draagt. In vlucht een nasaal kwak, in koor door de hele formatie herhaald.
Opname: Boyancé — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 80 tot 105 cm lang en rond een meter spanwijdte, met een gewicht van 1200 tot 2700 gram; daarmee is hij duidelijk kleiner en compacter dan de flamingo. Het verenkleed is dieper roze, de vleugeldekveren karmijnrood en de slagpennen zwart. De snavel is donker karmijnrood met een zwarte punt en oogt op afstand egaal donker; de poten zijn rood. Man en vrouw zijn gelijk, het mannetje groter. Jonge vogels zijn grijsbruin. Foerageert met de kop ondersteboven, terwijl hij lopend of zwemmend de snavelpunt net onder het wateroppervlak heen en weer beweegt.
Verwarringssoorten
De flamingo (Phoenicopterus roseus) is veel groter en veel bleker, bijna wit, met een roze snavel met alleen een zwarte punt en lichtere poten. Beide soorten staan vaak in dezelfde groep; het formaat en vooral de snavelkleur scheiden ze op elke afstand. De flamingo foerageert bovendien in dieper water en steekt de kop verder onder.
Leefgebied
Ondiepe alkalische en zoute pannen, kustlagunes, zoutwinningsbekkens en estuaria. Het voedsel bestaat vrijwel uitsluitend uit blauwalgen (Arthrospira) en kiezelwieren, die met fijne lamellen in de snavel uit het water worden gezeefd.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
In zuidelijk Afrika liggen de enige regelmatige broedplaatsen op de Etoshapan in Namibië en de Makgadikgadipannen, vooral de Suapan, in Botswana; daarnaast broedt een kolonie op een aangelegd eiland in Kamfers Dam bij Kimberley. Buiten de broedtijd zwerven de vogels door de hele regio en verblijven ze op de Walvisbaai, Sandwich Harbour, de monding van de Oranjerivier, de Langebaanlagune en de zoutpannen langs de zuid- en oostkust. Verder komt de soort voor in de riftmeren van Oost-Afrika, in West-Afrika en in India en Pakistan.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Na goede regens, doorgaans van januari tot april, lopen de Etoshapan en de Makgadikgadipannen vol en verzamelen zich daar tienduizenden vogels; in droge jaren gebeurt er niets. Buiten die periode zijn kustlagunes en zoutwinningsbekkens het hele jaar door betrouwbaar. Kijk in een gemengde groep altijd eerst naar de snavelkleur. Vroeg of laat op de dag is het licht het gunstigst en staan de vogels dichter bij de oever.
Staat van instandhouding
Gevoelig. De soort broedt op een handjevol plaatsen, zodat één verstoord of mislukt broedseizoen een groot deel van de populatie raakt. Sodawinning en zoutwinning op de Suapan, wateronttrekking, botsingen met hoogspanningsleidingen, waarvoor Kamfers Dam bekendstaat, verstoring van broedkolonies en uitbraken van botulisme zijn de belangrijkste knelpunten. De belangrijkste pannen vallen onder internationale wetlandverdragen.
Wetenschappelijke naam
Phoeniconaias minor | (Geoffroy Saint-Hilaire, 1798)
Geoffroy Saint-Hilaire beschreef de soort in 1798 als Phoenicopterus minor; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phoeniconaias werd in 1869 ingevoerd door Gray. Phoeniconaias komt van het Griekse phoinix, 'purperrood', en naias, 'waternimf' — een 'purperrode waternimf', naar de roze kleur en de gebondenheid aan water. minor is Latijn voor 'kleiner', ter onderscheiding van de grotere, algemenere flamingo. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.
