Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Kaneelpieper

Kaneelpieper | Anthus cinnamomeus

African Pipit | Bisbita Africano

De kaneelpieper is de gewone, sterk gestreepte pieper van kort grasland in vrijwel het hele gebied, en daarmee de maatstaf waartegen elke andere pieper wordt vergeleken. In de zomer valt hij op door zijn zangvlucht, waarbij hij hoog boven het veld in golven rondcirkelt.

Kaneelpieper (Anthus cinnamomeus)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep bij het opvliegen is een scherp tsjissik. De zang is een reeks herhaalde, schrapende tjilpnoten, trrit-trrit-trrit, gezongen in een golvende zangvlucht hoog boven het territorium of vanaf een termietheuvel of kluit, waarna de vogel steil naar beneden duikt.

Luister: VluchtroepXC938658

Opname: Dawie de Swardt — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

16 tot 18 cm, een middelgrote, slanke pieper. De bovendelen zijn bruin met duidelijke donkere strepen op mantel en kruin; de middelste vleugeldekveren hebben scherp afgetekende donkere centra. Een lichte wenkbrauwstreep en een donkere baardstreep kaderen de wang in. De borst is warm okergeel met een band van korte, scherpe donkere strepen; buik en flanken zijn lichter en ongestreept. De snavel is slank, met een gele basis van de ondersnavel; de poten zijn lichtroze. De buitenste staartpennen zijn wit en in vlucht goed te zien. Seksen gelijk; jonge vogels zijn donkerder en op de bovendelen geschubd.

Verwarrings­soorten

De Vaalrivierpieper (Anthus vaalensis) en de bruinrugpieper (Anthus leucophrys) zijn groter, hebben een vrijwel ongestreepte rug, een zwak getekende borst en buffkleurige in plaats van witte buitenste staartpennen. Nicholsons pieper (Anthus nicholsoni) is groter en langsnaveliger, heeft een vage borsttekening en leeft op rotsige hellingen. De grote pieper (Anthus richardi) is een zeldzame dwaalgast, groter en langer gepoot. De bergpieper (Anthus hoeschi) lijkt sterk maar is zwaarder gestreept op de borst, heeft buffkleurige buitenste staartpennen en een roze in plaats van gele snavelbasis; hij broedt alleen in het hooggebergte van Lesotho en de Drakensberg. Let op de combinatie van gestreepte mantel, witte staartzijden en de roep.

Leefgebied

Kort en open grasland, afgebrand veld, weiden, akkerranden, vliegvelden, sportvelden en wegbermen, van zeeniveau tot hoog in de bergen; vermijdt dicht struikgewas en bos. Foerageert lopend op de grond naar insecten, spinnen en kleine zaden. Het komvormige nest ligt op de grond, verstopt aan de voet van een graspol.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In vrijwel het hele gebied algemeen, van Angola, Zambia en Malawi tot de Kaap, maar schaars of afwezig in de kale Namib en de droogste delen van de Noord-Kaap en Botswana. Daarbuiten over grote delen van Afrika ten zuiden van de Sahara, van Senegal en Ethiopië zuidwaarts, en in het zuidwesten van het Arabisch Schiereiland.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Begin bij deze soort om piepers te leren: loop over kort grasland of een pas afgebrand veld en wacht tot een vogel opvliegt en tsjissik roept. Kijk dan naar de witte staartzijden en de gestreepte mantel. In de zomer, van september tot februari, verraadt de zangvlucht de territoria. Zie je een pieper met een effen rug, dan heb je vermoedelijk met een van de grotere soorten te maken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Een van de talrijkste zangvogels van het open land in het gebied, met een groot areaal en stabiele aantallen. Profiteert van begrazing, branden en het openhouden van grasland; verdwijnt waar grasland wordt omgezet in dichte aanplant of akkers zonder randen.

Wetenschappelijke naam

Anthus cinnamomeus | Rüppell, 1840

Rüppell beschreef de soort in 1840 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Anthus werd in 1805 ingevoerd door Bechstein. Anthus is het Latijnse woord voor een klein vogeltje van graslanden dat Plinius de Oudere noemt. cinnamomeus is Latijn voor 'kaneelkleurig' — naar de warm bruine tint van het verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Simiengebergte, Ethiopië.