Alle soorten › Zangvogels › Rupsvogels › Kaapse rupsvogel

Kaapse rupsvogel | Campephaga flava

Black Cuckooshrike | Oruguero Hombroamarillo

De Kaapse rupsvogel is een onopvallende bewoner van bosveld en bosranden, waar de seksen er totaal verschillend uitzien: het mannetje glanzend blauwzwart, het vrouwtje olijfbruin met geel en zwaar gebandeerd. Hij is gespecialiseerd in behaarde rupsen die door de meeste andere vogels worden gemeden.

Kaapse rupsvogel (Campephaga flava)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een langgerekte, hoge en insectachtige triller, trrrrrrrrr, die aan een krekel doet denken en lang kan aanhouden; het mannetje roept vanuit de kruin. Verder zachte, hoge tsjie-roepjes.

Luister: ZangXC845531

Opname: Ehren Eksteen — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

20–22 cm, met een vrij lange, afgeronde staart. Het mannetje is geheel zwart met een blauwe glans; bij een deel van de mannetjes zit een gele vlek op de schouder, bij andere ontbreekt die helemaal. Aan de mondhoek zit een kleine oranjegele huidlel. Het vrouwtje is olijfbruin van boven met fijne donkere bandering, heldergele randen aan de vleugelpennen en gele buitenste staartveren; de onderzijde is wit tot geelachtig met zware zwarte bandering. Onvolwassen mannetjes zijn een mengeling van beide. Beweegt traag door het blad en blijft vaak lang stilzitten.

Verwarrings­soorten

De treurdrongo Dicrurus adsimilis heeft een gevorkte staart, een rood oog en zit rechtop op open uitkijkposten. De rechtstaartdrongo Dicrurus ludwigii is kleiner met een rood oog en een ingekeepte staart. De Kaapse drongovliegenvanger Melaenornis pammelaina mist de mondlel en de gele schoudervlek en jaagt vanaf een post op de grond. De purperrupsvogel Campephaga quiscalina heeft een paarse glans; het vrouwtje is ongebandeerd geel van onderen.

Leefgebied

Gemengd en breedbladig bosveld, miombo, bosranden, kustbos en -struweel, rivierbegeleidend bos en oude tuinen met hoge bomen. Foerageert in de middenlaag en de kruin, vooral op behaarde en giftige rupsen, waarvan hij de haren afschudt of de ingewanden uitknijpt voor het doorslikken. Sluit zich aan bij gemengde foerageergroepen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Broedvogel in het oosten en noorden van Zuid-Afrika (van de Oost-Kaap via KwaZulu-Natal naar Mpumalanga en Limpopo), Eswatini, Zimbabwe, Mozambique, Zambia, Malawi, het noorden en oosten van Botswana, het noordoosten van Namibië en Angola; zeldzaam in het westen van de Kaap. De zuidelijke broedvogels trekken in de winter noordwaarts. Buiten het gebied tot in Oost-Afrika en het oosten van Congo.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Van oktober tot maart in het Kruger-park, in de kustbossen van KwaZulu-Natal of in miombo in Zimbabwe. Luister naar de krekelachtige triller uit de kruin; volg de vogel daarna met de verrekijker, want hij beweegt zo traag dat hij tussen het blad verdwijnt. Vrouwtjes worden vaak aangezien voor een koekoek.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in geschikt bosveld vrij algemeen. Verlies van inheems bos aan de kust en in het bosveld doet plaatselijk afbreuk aan de aantallen, maar de soort komt ook in oudere tuinen en parken voor.

Wetenschappelijke naam

Campephaga flava | Vieillot, 1817

Vieillot beschreef de soort in 1817 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Campephaga werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Campephaga komt van het Griekse kampē, 'rups', en -phagos, '-etend': 'rupseneter', naar het hoofdvoedsel van deze vogels. flava is Latijn voor 'geel' — naar de gele schoudervlek van het mannetje en het geelgetinte vrouwtje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit onbekend (niet vermeld).