Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Gierzwaluwen › Kaapse gierzwaluw

Kaapse gierzwaluw | Apus barbatus

African Black Swift | Vencejo del Cabo

De Kaapse gierzwaluw is de grote, bijna zwarte gierzwaluw van de bergen van zuidelijk Afrika. Hij broedt in spleten van hoge kliffen en jaagt in snelle groepen boven bergen, kloven en open land, vaak voor naderende onweersbuien uit.

Kaapse gierzwaluw (Apus barbatus)
Foto: Alan Manson — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoge gilreeks, tsreeeeee, vaak door groepen tegelijk bij de broedkliffen, en een zacht getjilp in de nestspleten.

Luister: VluchtroepXC1166565

Opname: Walter Wallner — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

17–18 cm, spanwijdte 40–44 cm. Zeer donker zwartbruin, met een kleine grijswitte keel. Van boven contrasteren de lichtere binnenste armpennen en tertials duidelijk met de zwarte rug en buitenvleugel; dit is bij goed licht het beste kenmerk. De onderzijde is egaal donker, soms met vage lichte randjes. De staart is matig diep gevorkt. De seksen zijn gelijk; jonge vogels hebben lichtere veerranden. De vlucht is krachtig en snel, met stijve, sikkelvormige vleugels.

Verwarrings­soorten

De gierzwaluw Apus apus is iets kleiner, bruiner en egaler van boven, zonder het duidelijke contrast in de binnenvleugel, en heeft een iets grotere witte keelvlek; hij is alleen van oktober tot maart aanwezig. De Damaragierzwaluw Apus bradfieldi is duidelijk bleker en grijsbruiner. De alpengierzwaluw Tachymarptis melba is veel groter en heeft een witte buik.

Leefgebied

Bergen, kloven, kliffen en rotswanden, van zeeniveau tot hoog in de Drakensberg; jaagt boven fynbos, grasland, bos en boerenland, vaak ver van de broedplaats. Broedt in diepe spleten in kliffen, soms achter watervallen of in hoge gebouwen. Groepen volgen onweersfronten en jagen op insecten die door de opstijgende lucht worden meegevoerd.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Broedt in de bergen van Zuid-Afrika (van de Kaapse plooiketens tot de Drakensberg en Limpopo), Lesotho, Eswatini en het oosten van Zimbabwe, en plaatselijk in Mozambique, Malawi, Zambia, Namibië en Angola. In de zuidelijke winter trekken de meeste vogels uit het binnenland weg; in het zuidwesten blijven er deels. Buiten het gebied in de bergen van Oost- en Centraal-Afrika, Kameroen en Madagaskar.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek groepen boven hoge kliffen in de Drakensberg, de Kaapse bergen of Magaliesberg, vooral in de namiddag wanneer onweer nadert. Kijk bij zijlicht naar de bovenvleugel: het lichte vlak in de binnenvleugel tegen de zwarte rug onderscheidt hem van de gierzwaluw.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in de bergen van het gebied plaatselijk algemeen. Broedplaatsen op hoge kliffen zijn nauwelijks bedreigd; afname van vliegende insecten door landbouwgif kan een rol spelen.

Wetenschappelijke naam

Apus barbatus | (Sclater, 1866)

Sclater beschreef de soort in 1866 als Cypselus barbatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Apus werd in 1777 ingevoerd door Scopoli. Apus is Latijn voor 'gierzwaluw', van Grieks a- 'zonder' en pous 'voet': de ouden hielden de vogel voor een zwaluw zonder poten. barbatus is Latijn voor 'gebaard', vermoedelijk naar de lichte kin- en keelvlek. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaapprovincie, Zuid-Afrika.