Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Kaapse gier

Kaapse gier | Gyps coprotheres

Cape Vulture | Buitre del Cabo

De Kaapse gier is de enige endemische gier van zuidelijk Afrika en de grootste vale gier van het gebied. Hij broedt in kolonies op steile kliffen en foerageert over grote afstanden boven grasland en savanne, waar hij met zijn scherpe blik kadavers van vee en wild opspoort.

Kaapse gier (Gyps coprotheres)
Foto: NJR ZA — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Rond kadavers en op de rustplaatsen luidruchtig: gekakel, gesis, gegrom en schrille kreten. In de kolonie gekras en gekoer tussen buren.

Luister: RoepXC369789

Opname: W.J. Rossouw — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 105 cm, spanwijdte ruim tweeënhalve meter. De volwassen vogel is licht crème tot bleek zandkleurig, met donkere slagpennen en een donkere staart; de grote vleugeldekveren tonen een rij donkere vlekken. De kop en de lange nek zijn kaal en blauwgrijs, met twee kale blauwe huidvlekken aan de basis van de keel en een kraag van lichte veren. Het oog is lichtgeel tot honingkleurig, de snavel zwart. Jonge vogels zijn donkerder, roodbruin met lichte strepen, hebben een roze tot rode nek en een donker oog, en worden in zes tot zeven jaar bleker. In de vlucht is de ondervleugel licht met minder scherp contrast tussen dekveren en slagpennen dan bij de witruggier, met een donkere rand langs de achterzijde.

Verwarrings­soorten

De witruggier (Gyps africanus) is kleiner en donkerder bij volwassen vogels, met een donker oog, een witte onderrug en een sterker contrasterende ondervleugel; jonge vogels van beide lijken sterk op elkaar, al is de jonge Kaapse gier grover gestreept en groter. Rüppells gier (Gyps rueppelli) is donkerder met sterk geschubde bovendelen en een geelachtige snavel. De lammergier (Gypaetus barbatus) van het hooggebergte heeft smalle, spitse vleugels en een lange wigvormige staart.

Leefgebied

Open grasland, bergland, Karoo-randen en open savanne, vaak op boerderijen met vee. Broedt en slaapt op richels van steile kliffen in bergen en kloven, vooral op zuid- of oostkant gerichte wanden; roest buiten de broedtijd ook op hoogspanningsmasten. Foerageert tot honderden kilometers van de kolonie en bezoekt geregeld gierenrestaurants met aangevoerd vlees.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Vrijwel endemisch voor het gebied. Broedkolonies liggen in Zuid-Afrika in Limpopo (Blouberg, Kransberg), Noordwest (Magaliesberg), Mpumalanga, KwaZulu-Natal en de Drakensberg, de Oost-Kaap en bij Potberg in de West-Kaap, verder in Lesotho en in het oosten van Botswana (onder andere Mannyelanong). Foeragerende en zwervende vogels bereiken Eswatini, Namibië, Zimbabwe en het zuiden van Mozambique; als broedvogel verdwenen uit Namibië en Zimbabwe. Buiten het gebied slechts zeldzame zwervers.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Bezoek een gierenrestaurant, bijvoorbeeld in de Drakensberg (Giants Castle), in de Magaliesberg of bij Potberg, of kijk bij de kliffen van een broedkolonie in de ochtend, wanneer de vogels op de eerste thermiek vertrekken. Het lichtgele oog en de blauwe keelvlekken zijn zichtbaar bij een rustende vogel; de bleke kleur en het formaat maken hem tussen witruggieren meteen opvallend.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar op de Rode Lijst, na eerder als bedreigd te zijn geklasseerd; de populatie is na een lange afname in delen van het areaal gestabiliseerd dankzij gierenrestaurants, bescherming van kolonies en het aanpassen van hoogspanningslijnen. Aanvaringen en elektrocutie op hoogspanningsmasten, vergiftiging (onbedoeld en voor traditioneel gebruik), loodvergiftiging, verdrinking in reservoirs en verstoring van kolonies blijven belangrijke bedreigingen.

Wetenschappelijke naam

Gyps coprotheres | (Forster, 1798)

Forster beschreef de soort in 1798 als Vultur Coprotheres; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Gyps werd in 1809 ingevoerd door De Savigny. Gyps is het Griekse gups 'gier'. coprotheres komt van het Griekse kopros, 'mest', en thēraō, 'jagen': 'mestjager', naar het zoeken naar afval en aas. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zuid-Afrika.