Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Grijsnekkanarie

Grijsnekkanarie | Serinus canicollis

Cape Canary | Serín Dorsigrís

De grijsnekkanarie is de gewone gele kanarie van tuinen, akkerranden en berghellingen in het zuiden en oosten van het gebied, met een gevarieerde zang die nabootsingen van andere soorten bevat. Het mannetje valt op door een goudgeel voorhoofd en gezicht tegen een effen blauwgrijze nek en halszijden.

Grijsnekkanarie (Serinus canicollis)
Hoofdfoto · Foto: Shaun Swanepoel — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

De zang is een lange, rollende en zeer gevarieerde stroom van heldere fluittonen, trillers en gekwetter, vol en melodieus, vaak vanaf een boomtop of in een zangvlucht; in de broedtijd zingen vaak meerdere mannetjes tegelijk. De roep is een zacht, oplopend tsjie-wie of een droog tsjiep.

Luister: ZangXC1142747

Opname: African Bioacoustics Community — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

13 tot 14 cm, met een vrij lange, ingekerfde staart en een kleine, roze-grijze kegelsnavel. Het mannetje heeft een geelgroen tot goudgeel voorhoofd, voorkruin en gezicht, een effen blauwgrijze achterkruin, nek en halszijden en een geelgroene, vaag gestreepte mantel. De stuit is geelgroen, de onderdelen zijn helder geel en naar de onderstaartdekveren witter. Vleugels en staart zijn zwartachtig met groengele zomen. Het vrouwtje is doffer, met een groenere kop, een minder uitgesproken grijze nek, een bruinere, sterker gestreepte mantel en lichte streping op de flanken. Jonge vogels zijn bruingroen en overal gestreept.

Verwarrings­soorten

De Mozambiquesijs (Crithagra mozambica) is kleiner, met een gele wenkbrauwstreep, een donkere oog- en baardstreep, een felgele stuit en een grijsbruine rug. De geelbuikkanarie (Crithagra flaviventris) mist de grijze nek en heeft een gele wenkbrauwstreep en een donkere baardstreep. De zwavelkanarie (Crithagra sulphurata) is groter, met een zware, bolle snavel en een geheel olijfgroene kop. De geelkruinkanarie (Serinus flavivertex) van de hooglanden van Angola, Malawi en Zambia lijkt sterk, maar heeft minder grijs in de nek en twee opvallende gele vleugelstrepen.

Leefgebied

Een breed scala aan halfopen landschappen met struiken en bomen: fynbos, montaan grasland met struikgewas en bosranden, hoogveldgrasland met bomenrijen, plantages, boomgaarden, akkerranden, parken en tuinen. Foerageert in groepen op de grond en in onkruiden op zaden, knoppen en kleine insecten. Buiten de broedtijd vormt hij zwermen, soms van honderden vogels.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Zuid-Afrika in de West- en Oost-Kaap, het zuiden van de Noord-Kaap, de Vrijstaat, KwaZulu-Natal, Gauteng, Mpumalanga en de hooglanden van Limpopo, verder heel Lesotho en Eswatini; daarnaast in de oostelijke hooglanden van Zimbabwe en het aangrenzende Mozambique. Ontbreekt in het droge westen, in Botswana en in Namibië. Ingevoerd op Réunion en Mauritius.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de Kaap, op het Hoogveld en in de Drakensberg een van de gewoonste kanaries, vaak al bij de accommodatie te zien. Let bij gele kanaries op de grijze nek, die ook bij vrouwtjes vaak als grijze waas zichtbaar is, en op het ontbreken van gezichtsstrepen. De rijke zang is een van de vaste achtergrondgeluiden van de fynbos en van de tuinen van Kaapstad.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen en wijdverspreid, en profiteert van tuinen, plantages en akkerranden. Werd vroeger in grote aantallen als zang- en kooivogel gevangen.

Wetenschappelijke naam

Serinus canicollis | (Swainson, 1838)

Swainson beschreef de soort in 1838 als Crithagra canicollis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Serinus werd in 1816 ingevoerd door Koch. Serinus is nieuwlatijn voor 'kanariegeel'. canicollis komt van het Latijnse canus, 'grijs', en collum, 'hals' — naar de grijze nek en halszijden. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.