Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Geelkruinkanarie

Geelkruinkanarie | Serinus flavivertex

Yellow-Crowned Canary | Serín Coronigualdo

De geelkruinkanarie is een groengele kanarie van de Afrikaanse hooglanden die in het gebied alleen aan de randen voorkomt: op het plateau van west-centraal Angola en op de hooglanden van het noorden van Malawi en het noordoosten van Zambia. Hij is nauw verwant aan de grijsnekkanarie en werd daar vroeger mee samengevoegd.

Geelkruinkanarie (Serinus flavivertex)
Foto: Jonathan Eisen — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een levendig, gevarieerd gekwetter van heldere fluittonen en trillers, vergelijkbaar met dat van de grijsnekkanarie maar korter van frase. De roep is een zacht tsiew of swie, ook in de vlucht.

Luister: ZangXC749274

Opname: Lars Lachmann — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12 tot 13 cm, met een korte, ingekerfde staart en een kleine, grijze tot hoornkleurige kegelsnavel. Het mannetje heeft een heldergeel voorhoofd en voorkruin, een grijsgroene achterkruin en nek, en een olijfgroene, donker gestreepte mantel met een geelgroene stuit. Gezicht en onderdelen zijn geel. De zwartachtige vleugels hebben twee duidelijke gele vleugelstrepen en brede gele zomen aan de slagpennen; de staart is zwart met gele randen. Het vrouwtje is doffer en groener, met minder geel op de kruin en fijne streping op borst en flanken. Jonge vogels zijn bruiner en sterk gestreept.

Verwarrings­soorten

De grijsnekkanarie (Serinus canicollis) komt niet op dezelfde plekken voor; hij heeft een duidelijker blauwgrijze nek en halszijden en mist de opvallende gele vleugelstrepen. De Mozambiquesijs (Crithagra mozambica) is kleiner, met een donkere baardstreep en een gele wenkbrauwstreep op een grijsbruine kop. De gestreepte dunbekkanarie (Crithagra hyposticta) heeft een langere, spitse snavel en geen gele vleugelstrepen. De geelbrauwkanarie (Crithagra whytii) is bruin met een lange gele wenkbrauwstreep.

Leefgebied

Montaan grasland met struikgewas, randen van afromontaan bos, bosjes en bosresten in de hooglanden, en in Angola ook akkers, tuinen en dorpsranden op het plateau, meestal boven 1500 meter. Foerageert in paren of groepen op de grond en in onkruiden op zaden en knoppen, en sluit zich buiten de broedtijd aan bij gemengde zwermen van kanaries.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied op twee plaatsen: het plateau van west-centraal Angola (Huambo, Huíla en Cuanza Sul, tot aan de escarpement in Namibe), waar de vorm huillensis leeft die soms tot de grijsnekkanarie wordt gerekend, en de hooglanden van het noorden van Malawi en het noordoosten van Zambia (Nyika-plateau, Mafinga-gebergte). Daarbuiten in de hooglanden van Oost-Afrika, van Tanzania via Rwanda, Burundi, het oosten van Congo-Kinshasa, Oeganda en Kenia tot Ethiopië en Zuid-Soedan.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op het Nyika-plateau is hij een van de gewoonste vogels van de graslanden en bosranden. In Angola is hij het vaakst waargenomen rond Huambo en op het plateau bij Lubango. Let op de brede gele vleugelstrepen van opvliegende vogels; bij twijfel met de grijsnekkanarie beslist de verspreiding.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen in de Oost-Afrikaanse hooglanden en plaatselijk algemeen op het Angolese plateau en op Nyika. Omzetting van montaan grasland in akkers en plantages vermindert plaatselijk het leefgebied, maar de soort past zich goed aan cultuurland aan.

Wetenschappelijke naam

Serinus flavivertex | (Blanford, 1869)

Blanford beschreef de soort in 1869 als Crithagra flavivertex; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Serinus werd in 1816 ingevoerd door Koch. Serinus is nieuwlatijn voor 'kanariegeel'. flavivertex komt van het Latijnse flavus, 'geel', en vertex, 'kruin' — naar de gele kruin. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Adigrat, Tigray, Ethiopië.