Alle soorten › Zangvogels › Ossenpikkers › Geelsnavelossenpikker

Geelsnavelossenpikker | Buphagus africanus

Yellow-Billed Oxpecker | Picabueyes Piquigualdo

De geelsnavelossenpikker is de grotere en schaarsere van de twee ossenpikkers in het gebied. Hij heeft een voorkeur voor de grootste, dikhuidige gastheren zoals buffel, neushoorn, nijlpaard en giraffe, en is sterker dan de roodsnavelossenpikker gebonden aan grote wildgebieden.

Geelsnavelossenpikker (Buphagus africanus)
Foto: Bernard DUPONT from FRANCE — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een scherp, sissend krisss en een raspend tsjerrr-tsjerrr, harder en schriller dan bij de roodsnavelossenpikker; groepjes laten een aanhoudend gesis horen, vooral bij het opvliegen van een gastheer.

Luister: RoepXC1163408

Opname: Zsombor Károlyi — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

21–23 cm. Kop, rug, vleugels en staart zijn olijfbruin; de stuit en bovenstaartdekveren zijn licht zeemkleurig en steken scherp af tegen de donkere rug, vooral in vlucht. De onderzijde is lichtbruin tot zeemkleurig. De snavel is dik en zwaar, aan de basis helder geel en aan de punt rood. Er is geen gekleurde oogring; het oog is oranjerood. De staart is getrapt en verstijfd, de poten zijn kort met scherpe klauwen. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels hebben een donkerbruine snavel en een minder contrasterende stuit.

Verwarrings­soorten

De roodsnavelossenpikker Buphagus erythroryncha heeft een slankere, geheel rode snavel, een helder gele naakte ring om het oog en een egaal bruine stuit zonder contrast. Jonge vogels van beide soorten, met een donkere snavel, zijn het best te scheiden op de lichte stuit en de dikkere snavel van de geelsnavel. Op afstand is de gastheer een aanwijzing: op buffel en neushoorn zitten vaak beide soorten door elkaar.

Leefgebied

Savanne en open bosveld met grote zoogdieren, vooral buffel, neushoorn, nijlpaard, giraffe en eland; in het gebied veel minder op vee dan de roodsnavelossenpikker. Eet teken en andere parasieten, bloed en wondweefsel. Broedt in boomholten en in spleten van rotsen of gebouwen, bekleed met haar van de gastheren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied vooral in het noorden: het Okavango- en Chobe-gebied in het noorden van Botswana, de Zambezi-regio (Caprivi) van Namibië, Zambia, Zimbabwe (Zambezi-vallei en Hwange), Malawi, Mozambique en Angola. In Zuid-Afrika was hij in de twintigste eeuw verdwenen; sinds eind jaren 1970 heeft hij zich opnieuw gevestigd in het Kruger NP, vooral in het noorden, en elders zijn vogels uitgezet. Daarbuiten van Senegal en Gambia oostwaarts tot Soedan en in Oost-Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond. De beste kansen liggen bij buffelkuddes in het noorden van Botswana en het noorden van het Kruger NP, en bij neushoorns en nijlpaarden langs de Zambezi. Kijk bij elke groep ossenpikkers naar de stuit: de lichte stuit is in vlucht al op afstand te zien. In het zuiden en oosten van Zuid-Afrika is een geelsnavel nog een ongewone waarneming.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, maar in het zuiden van het areaal veel schaarser dan de roodsnavelossenpikker. Hij leed nog sterker onder het dippen van vee met giftige middelen en onder de achteruitgang van grote wilde zoogdieren; in Zuid-Afrika is hij plaatselijk nog zeldzaam.

Wetenschappelijke naam

Buphagus africanus | Linnaeus, 1766

Linnaeus beschreef de soort in 1766 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Buphagus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Buphagus komt van het Griekse bouphagos, 'ossen-etend' — naar de gewoonte van ossenpikkers om teken en ander ongedierte van vee en groot wild te pikken. africanus is Latijn voor 'Afrikaans', naar het werelddeel waar de soort voorkomt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.