Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Geelbrauwkanarie

Geelbrauwkanarie | Crithagra whytii

Yellow-Browed Seedeater | Serín de Whyte

De geelbrauwkanarie is een donkere, sterk gestreepte kanarie van montaan struikgewas in het noorden van Malawi en het noordoosten van Zambia, herkenbaar aan een brede geelachtige wenkbrauwstreep. Hij werd lang als ondersoort van de Oost-Afrikaanse Crithagra striolata behandeld en wordt nu vaak als aparte soort gezien.

Geelbrauwkanarie (Crithagra whytii)
Foto: Mikael Bauer — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een aangename, gevarieerde en vrij trage zang van heldere fluittonen en trillers, vaak van een struiktop of dode tak, in de trant van tsiep-tsjeroo-tsiwie-tsjoo. De roep is een dun, oplopend tsweee.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.

Herkenning

14–15 cm. De bovendelen zijn donkerbruin met zware zwartbruine streping; ook de kruin is gestreept. Een brede, bleekgele tot bruingele wenkbrauwstreep contrasteert met een donkere oogstreep en een donkere oorstreek. De keel is geelwit met een donkere baardstreep; borst en flanken zijn geelbruin tot vuilwit met dichte donkere streping. De snavel is kegelvormig en hoornkleurig. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer, met een minder gele wenkbrauw.

Verwarrings­soorten

De miombokanarie (Crithagra reichardi) van lager gelegen miombo is kleiner en bleker, met een witte in plaats van gele wenkbrauw en fijnere streping. De streepkopkanarie (Crithagra gularis) heeft een ongestreepte borst en een witte wenkbrauw. De zwartwangkanarie (Crithagra mennelli) heeft een zwarte oorstreek en een witte wenkbrauw en leeft in miombo. In het montane struikgewas van Nyika en Viphya is de geelbrauwkanarie de enige zwaar gestreepte kanarie met een gele wenkbrauw.

Leefgebied

Montaan struikgewas, randen van afromontaan bos, varenvelden, ruigte langs bosranden en grasland met verspreide struiken, hoog in de bergen. Eet zaden, bloemknoppen en vruchten, meestal in struiken en in lage vegetatie.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen in de hooglanden van het noorden van Malawi (Nyika-plateau, Misuku, Viphya) en aangrenzend het noordoosten van Zambia (de Zambiaanse kant van Nyika, Mafinga). Daarbuiten in de zuidelijke hooglanden van Tanzania.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op het Nyika-plateau de gewone kanarie van struikgewas rond bosranden; vaak in paartjes of kleine groepjes die op struiktoppen zingen. Een kanarie met een donker gestreept lijf en een opvallend gele wenkbrauw in montaan struikgewas is vrijwel zeker deze soort.

Staat van instandhouding

Niet apart door de IUCN beoordeeld; hij wordt gerekend tot Crithagra striolata (niet bedreigd). Plaatselijk vrij algemeen in zijn kleine montane gebied, maar afhankelijk van bosranden en struikgewas die in de hooglanden onder druk staan door ontginning en brand.

Wetenschappelijke naam

Crithagra whytii | (Shelley, 1897)

Shelley beschreef de soort in 1897 als Serinus whytii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Crithagra werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Crithagra komt van het Griekse krithē, 'gerst', en agra, 'jacht' — een 'gerstjager', naar het zaadetende dieet van deze kanaries en zaadeters. whytii eert de Schotse natuuronderzoeker Alexander Whyte (1834–1905), die in het huidige Malawi verzamelde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Nyikaplateau, Malawi.