Alle soorten › Zangvogels › Monarchen › Gabonparadijsmonarch

Gabonparadijsmonarch | Terpsiphone rufocinerea

Rufous-Vented Paradise Flycatcher | Monarca del Congo

De Gabonparadijsmonarch is een paradijsmonarch van de bosranden en rivierbegroeiing van Centraal-Afrika, in ons gebied beperkt tot het noordwesten van Angola. Hij lijkt sterk op de Afrikaanse paradijsmonarch, maar het mannetje heeft een grijze onderzijde met opvallend roestrode onderstaartdekveren.

Gabonparadijsmonarch (Terpsiphone rufocinerea)
Foto: avocat — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een raspend, nasaal scheldgeluid, zwee-zwèèr, en als zang een snelle reeks heldere fluittonen, vergelijkbaar met die van de Afrikaanse paradijsmonarch.

Luister: ZangXC505424

Opname: Paulina Meller — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

17–18 cm; bij het mannetje verlengen de middelste staartpennen het totaal tot ruim 25 cm. Kop, kuif en keel zijn glanzend blauwzwart, met een kobaltblauwe oogring en een blauwe snavel; het zwart van de keel gaat geleidelijk over in de leigrijze borst en de lichter grijze buik. De rug, stuit en staart zijn warm kastanjebruin, de onderstaartdekveren roestrood. De vleugels zijn donker met kastanjebruine randen, zonder witte vleugelvlek. Het vrouwtje is doffer, met een kortere staart zonder verlengde pennen. Jonge vogels zijn bruiner en missen de glans.

Verwarrings­soorten

De Afrikaanse paradijsmonarch Terpsiphone viridis lijkt sterk, maar heeft grijze of witte onderstaartdekveren, vaak een witte vleugelvlek, en komt ook in een witte vorm voor. De roodbuikparadijsmonarch Terpsiphone rufiventer is van onderen geheel roestoranje. Mengvormen tussen deze soorten komen voor en zijn in het veld niet altijd te herkennen; let op de kleur van de onderstaartdekveren en de vleugel.

Leefgebied

Bosranden, galerijbos en dichte rivierbegroeiing, secundair bos, moerasbos en ruig struweel bij water, ook in oude plantages en rond dorpen met veel bomen. Vangt insecten in korte uitvallen vanaf een tak in de onder- en middenlaag en sluit zich aan bij gemengde foerageergroepen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen in het noordwesten van Angola: Cabinda, de benedenloop van de Congo en het noordwestelijk binnenland tot de escarpmentzone. Buiten het gebied van het zuiden van Kameroen en Gabon door Congo-Brazzaville tot het midden en oosten van Congo-Kinshasa.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond in bosranden en galerijbos in het noordwesten van Angola. Luister naar het nasale scheldgeluid en probeer de vogel van onderen te zien: roestrode onderstaartdekveren onder een grijze buik en het ontbreken van wit in de vleugel wijzen op deze soort.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; in zijn Centraal-Afrikaanse verspreidingsgebied vrij algemeen en tolerant voor verstoorde, secundaire begroeiing. In Angola is het areaal klein en afhankelijk van bosranden en rivierbegroeiing in het noordwesten.

Wetenschappelijke naam

Terpsiphone rufocinerea | Cabanis, 1875

Cabanis beschreef de soort in 1875 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Terpsiphone werd in 1827 ingevoerd door Gloger. Terpsiphone komt van het Griekse terpsis, 'genot, vreugde', en phōnē, 'stem' — naar de aangename zang van paradijsmonarchen. rufocinerea is Latijn voor 'rood en asgrijs', van rufus en cinereus — naar de roestrode rug en de grijze onderdelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Chinchoxo, Cabinda, Angola.