Alle soorten › Zangvogels › Wida's › Dominicanerwida

Dominicanerwida | Vidua macroura

Pin-Tailed Whydah | Viuda Colicinta

De dominicanerwida is de meest verspreide en bekendste wida van het gebied: een zwart-wit mannetje met een rode snavel en een lange, dunne staart, dat onvermoeibaar boven een vrouwtje danst. Hij parasiteert vooral op het Sint-Helenafazantje.

Dominicanerwida (Vidua macroura)
Hoofdfoto · Foto: New Jersey Birds — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

De zang is een hoog, piepend en tsjilpend mengsel van tonen, tsjiet-tsjiet-tsjwiet, meestal tijdens de baltsvlucht. De roep is een scherp tsjip. In tegenstelling tot de andere Vidua-soorten bootst het mannetje de zang van zijn waard nauwelijks na.

Luister: ZangXC1037320

Opname: Filippo Ceccolini — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12–34 cm; het lichaam meet 12–13 cm, het mannetje in broedkleed draagt daarbij vier smalle, zwarte middelste staartpennen van 18–22 cm. Kruin, rug en staart zijn zwart, gezicht, kraag en onderzijde wit, de vleugels zwart met een witte vlek op de dekveren. De snavel is fel koraalrood, de poten donker. Het vrouwtje is bruin met zwarte streping op de rug, een kop met zwarte en beige lengtestrepen en een bleke onderzijde; haar snavel is roodachtig, in de broedtijd helderder. Het mannetje buiten de broedtijd lijkt op het vrouwtje, maar houdt een rode snavel en een scherpere kopstreping. Jonge vogels zijn egaal grijsbruin met een donkere snavel.

Verwarrings­soorten

Het mannetje in broedkleed is onmiskenbaar. Het mannetje van de koningswida (Vidua regia) heeft een goudbeige onderzijde en staartpennen met kale schachten en een vlagje aan het eind. Vrouwtjes en mannetjes in rustkleed van de koningswida hebben een minder scherp gestreepte kop met een rossige wang, en die van de paradijswida's (Vidua paradisaea, Vidua obtusa) een donkergrijze snavel. Vrouwtjes van bisschoppen (Euplectes) zijn groter, met een zwaardere, hoornkleurige snavel en zonder de contrastrijke kopstrepen.

Leefgebied

Open grasland, grasrijke savanne en bosranden, akkers, oevers, parken en tuinen; vermijdt echt droge gebieden. Eet vooral graszaden van de grond en komt graag op voederplanken, waar het mannetje andere zaadeters fel verjaagt. Legt zijn eieren vooral in de nesten van het Sint-Helenafazantje (Estrilda astrild), minder vaak bij de groenrugastrild (Coccopygia melanotis) en het goudbuikje (Amandava subflava).

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Over bijna het hele gebied, van de Kaap tot Angola en Malawi: overal in Zuid-Afrika, Lesotho en Eswatini behalve de droogste delen van de Karoo, en verder in Zimbabwe, Mozambique, Zambia, Malawi, Angola, het noorden en oosten van Botswana en het noorden van Namibië. Ontbreekt in de Namib en is schaars in de Kalahari. Daarbuiten in vrijwel heel Afrika ten zuiden van de Sahara; geïntroduceerd in onder meer Puerto Rico en Californië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de zomer bij vrijwel elke voederplank en in elke grasrijke tuin. Kijk naar de balts: het mannetje hangt met trillende vleugels en golvende staart een halve meter boven het vrouwtje en danst op en neer. Buiten de broedtijd trekken gemengde groepen van vrouwtjes en rustkleedmannetjes rond; de rode snavels en gestreepte koppen verraden ze tussen de astrilden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; algemeen en profiteert van tuinen, voederplanken en akkerland. De waardsoort heeft er weinig last van, omdat de jongen samen met de waardjongen worden grootgebracht.

Wetenschappelijke naam

Vidua macroura | (Pallas, 1764)

Pallas beschreef de soort in 1764 als Fringilla (macroura); omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Vidua werd in 1816 ingevoerd door Cuvier, GLCFD. Vidua is het Latijnse woord voor 'weduwe'. macroura is Grieks, van makros 'lang' en oura 'staart', naar de sterk verlengde staartpennen van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Angola.