Alle soorten › Zangvogels › Graszangers › Chapins apalis

Chapins apalis | Apalis chapini

Chapin's Apalis | Apalis de Chapin

Chapins apalis is een donkergrijze apalis van het kronendak van bergbos, met een warm roestkleurige keel en borst. Hij bewoont een klein aantal bergbossen in Zuid-Tanzania en reikt net het gebied binnen in het uiterste noorden van Malawi en het noordoosten van Zambia.

Chapins apalis (Apalis chapini)
Foto: Ad Konings — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Het mannetje laat een snelle reeks hoge, insectachtige noten horen, tsie-tsie-tsie-tsie, waartussen het vrouwtje korte tip-noten plaatst. Het geluid is hoog en dun en wordt tussen andere bosgeluiden vaak gemist.

Luister: ZangXC794106

Opname: isaac kilusu — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12–13 cm, met een vrij lange staart. Kruin, wangen en bovendelen donker leigrijs, de staart grijs met witte punten aan de buitenste pennen. Keel en borst warm roestbruin tot kastanjekleurig, scherp afgezet tegen de lichtgrijze tot witte buik. Bij de zuidelijke populaties, waartoe de vogels in het gebied behoren, is ook de kin roestkleurig; noordelijke vogels hebben een witte kin. Iris lichtbruin, snavel zwart, poten roze. De seksen zijn vrijwel gelijk; jonge vogels zijn doffer, met een bleker oranje keel.

Verwarrings­soorten

De roodkapsnijdervogel Artisornis metopias heeft ook roestkleur op de kop, maar vooral op kruin en gezicht in plaats van keel en borst, een veel kortere staart, en leeft laag in de ondergroei. De halsbandapalis Apalis thoracica, die in dezelfde bossen voorkomt, heeft een witte keel met een zwarte halsband en een groene of grijze rug. De bruinkopapalis Apalis alticola heeft een bruine kruin en witte onderdelen zonder roest. Buiten het gebied lijkt de kastanjekeelapalis Apalis porphyrolaema sterk, maar die leeft verder noordelijk. De roestkleurige keel en borst op een verder donkergrijze apalis zijn in het gebied kenmerkend.

Leefgebied

Het kronendak en de hogere lagen van vochtig bergbos, vooral boven 1500 m, en de randen van bosresten. Foerageert alleen, in paartjes of in kleine groepjes, vaak in gemengde foerageergroepen, hoog in de kruinen en tussen mos en klimplanten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied alleen in het uiterste noorden van Malawi (de bossen van de Misuku-heuvels) en in de Mafinga-bergen op de grens van Zambia en Malawi; de soort is hier zeer lokaal en weinig waargenomen. Daarbuiten in de bergbossen van Zuid-Tanzania, van de Udzungwa-bergen zuidwestwaarts tot de hooglanden rond Mbeya, en met een aparte vorm in het oosten van de Democratische Republiek Congo.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond. Het Mughesse-bos in de Misuku-heuvels in Noord-Malawi is de meest haalbare plek in het gebied. Luister naar de hoge, snelle reeksen in het kronendak en volg gemengde foerageergroepen; de roestkleurige keel is het beste te zien als de vogel van onderen tegen het licht zit. Waarnemingen uit Zambia zijn weinig talrijk en de moeite van documenteren waard.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd op wereldschaal, maar met een klein, versnipperd areaal. In het gebied beperkt tot enkele kleine bergbossen, die door kap, akkers en branden onder druk staan.

Wetenschappelijke naam

Apalis chapini | Friedmann, 1928

Friedmann beschreef de soort in 1928 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Apalis werd in 1833 ingevoerd door Swainson. Apalis komt van het Griekse hapalos, 'teer, sierlijk' — naar deze slanke, fijn gebouwde zangertjes. chapini eert de Amerikaanse ornitholoog James Paul Chapin (1889–1964), kenner van de vogels van Congo. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Nyingwa, Ulugurubergen, Tanzania.