Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers en tapuiten › Cassins vliegenvanger

Cassins vliegenvanger | Muscicapa cassini

Cassin's Flycatcher | Papamoscas de Cassin

Cassins vliegenvanger is een donkere leigrijze vliegenvanger die strikt gebonden is aan beboste rivieren en beken. Binnen het gebied komt hij alleen voor in het uiterste noordwesten van Zambia en in het noorden van Angola, waar hij op stenen, takken en boomstronken boven stromend water zit.

Cassins vliegenvanger (Muscicapa cassini)
Foto: Aviceda — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een dun, hoog tsiep of tsst, vaak herhaald, en een zacht getjilp. De zang is een korte, ijle reeks hoge, sissende en tjilpende noten, onopvallend tegen het geruis van het water in.

Luister: RoepXC677331

Opname: BurBenj — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13–14 cm, een compacte vliegenvanger met een vrij grote kop en een brede zwarte snavel. Kop en bovenzijde zijn donker leigrijs, vleugels en staart zwartachtig. De keel is wit en contrasteert scherp met een brede, egaal grijze borstband; de buik is wit. Een smalle witte oogring en een witte teugelvlek zijn van dichtbij zichtbaar. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn bovenaan licht gespikkeld. Zit rechtop, schokt veel met vleugels en staart en jaagt met korte vluchten boven het water.

Verwarrings­soorten

De moerasvliegenvanger Muscicapa aquatica is bruiner, met een bruinige borstband, en zit in riet en papyrus langs meren en moerassen; in het noorden van Zambia komen beide soorten niet ver van elkaar voor, maar zelden aan hetzelfde water. De blauwgrijze vliegenvanger Fraseria caerulescens is lichter blauwgrijs, grijzer van onderen zonder scherpe witte keel, heeft een zwart teugelstreepje en leeft in het kronendak van bos. De Kaapse vliegenvanger Muscicapa adusta is bruin en vaag gevlekt, zonder contrastrijke borstband. Het vaste verblijf boven stromend bosrivierwater is de beste aanwijzing.

Leefgebied

Rivieren en beken met galerijbos en overhangende vegetatie, met stenen, omgevallen stammen en kale takken boven of in het water. Jaagt laag boven het wateroppervlak op muggen, eendagsvliegen en andere insecten die van het water opstijgen. Het nest wordt gebouwd op een boomstronk, een tak boven het water of tussen wortels langs de oever.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied alleen in het noordwesten van Zambia, vooral in Mwinilunga en langs de bovenloop van de Zambezi en de Kabompo met hun zijrivieren, en in het noorden van Angola in de provincies Cuanza Norte, Uíge, Bengo en Malanje. Daarbuiten in het bosgebied van West- en Centraal-Afrika, van Guinee en Sierra Leone door het Kongobekken tot Oeganda.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Loop of vaar langs een beboste rivier in Mwinilunga of Noord-Angola en speur de stenen en boomstronken midden in de stroming af. De vogel is jaarrond aanwezig en weinig schuw, maar zit vaak laag in de schaduw van overhangende bomen. Let op de scherp afgetekende witte keel boven de grijze borst.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is wijdverspreid in het Afrikaanse regenwoudgebied. Aan de zuidrand van het areaal, in Zambia en Angola, is ze afhankelijk van de galerijbossen, die plaatselijk door kap, akkerbouw en vuur worden aangetast.

Wetenschappelijke naam

Muscicapa cassini | Heine, 1860

Heine beschreef de soort in 1860 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Muscicapa werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Muscicapa is Latijn, van musca 'vlieg' en capere 'vangen'. cassini eert de Amerikaanse ornitholoog John Cassin (1813–1869) van de Academy of Natural Sciences in Philadelphia. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Sette Cama, Gabon.