Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Breedbekprion

Breedbekprion | Pachyptila vittata

Broad-Billed Prion | Prión Piquiancho

De breedbekprion is de grootste prion, met een zware kop en een opvallend brede, donkere snavel die hij gebruikt om plankton uit het water te zeven. Hij broedt op Tristan da Cunha en Gough en bereikt in de zuidelijke winter de wateren voor de Kaap.

Breedbekprion (Pachyptila vittata)
Foto: pjd1 — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee zwijgzaam. Op de broedplaatsen 's nachts een koerend, kraaiend kuk-koo-kuk uit de holen.

Luister: ZangXC923700

Opname: David Boyle — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 28 cm, een forse prion met een grote, hoekige kop, een steil voorhoofd en een zeer brede, aan de zijkanten uitgezette snavel die grotendeels zwartachtig is; bij gesloten snavel zijn soms de kamvormige lamellen zichtbaar. De bovendelen zijn donkerder blauwgrijs dan bij de andere prionen, met een zwarte M over de vleugels. De kop is donker, met een donkere oogstreep, een smalle witte wenkbrauwstreep en een grijze halve kraag op de borstzijde. De onderdelen zijn wit en de staart heeft een smalle zwarte eindband. De vlucht is wat trager en minder zwenkend dan bij kleinere prionen.

Verwarrings­soorten

De Salvins prion (Pachyptila salvini) is kleiner, met een smallere, blauwere snavel en een minder hoekige kop; de verschillen zijn op zee subtiel en overlappen deels. De Antarctische prion (Pachyptila desolata) heeft een nog smallere, blauwe snavel en een rondere kop. De blauwe stormvogel (Halobaena caerulea) heeft een witte staartpunt en een donkere kopkap.

Leefgebied

Koele oceaan, vooral in de subtropische en subantarctische zone, in de winter noordwaarts tot boven de koude Benguelastroom. Foerageert door met de snavel door het water te 'hydroplanen' en roeipootkreeftjes en ander zoöplankton uit te zeven. Broedt in holen en spleten op oceanische eilanden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied een wintergast ver voor de kust van de West-Kaap, in sommige jaren ook voor de Zuid-Kaap en in kleine aantallen noordwaarts tot voor Namibië; na stormen soms in aantal op de stranden aangespoeld. Broedt in de zuidelijke Atlantische Oceaan op Tristan da Cunha en Gough, en verder op eilanden bij Nieuw-Zeeland, waaronder de Chathameilanden.

Hoe en wanneer kijken

Pelagische tochten vanuit Kaapstad in de winter bieden de beste kans, vooral na een langdurige noordwestelijke storm. Een prion die opvallend groot, donker en dikkoppig oogt, verdient een foto van de snavel van opzij. Op de vloedlijn verraadt de brede snavel de soort direct.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; de wereldpopulatie telt miljoenen paren. Op Gough vormen ingevoerde huismuizen, die kuikens levend opeten, een ernstige bedreiging; een poging tot uitroeiing is in gang gezet.

Wetenschappelijke naam

Pachyptila vittata | (Forster, 1777)

Forster beschreef de soort in 1777 als Procellaria vittata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pachyptila werd in 1811 ingevoerd door Illiger. Pachyptila komt van het Griekse pakhus, 'dicht, dik', en ptilon, 'veer' — naar het dichte, zachte verenkleed van de prions. vittata is Latijn voor 'gestreept, met een band', van vitta, 'lint' — vermoedelijk naar de donkere M-vormige band over de vleugels. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Tristan da Cunha.