Alle soorten › Zangvogels › Vanga's en helmklauwieren › Afrikaanse klauwiervliegenvanger

Afrikaanse klauwiervliegenvanger | Megabyas flammulatus

African Shrike-Flycatcher | Bias Llameante

De Afrikaanse klauwiervliegenvanger is een rechtop zittende bosvogel met een brede, gehaakte snavel, die in het gebied alleen de zuidrand van het Congolese regenwoud bereikt. Het mannetje is glanzend blauwzwart met een witte onderzijde en een rood oog; het vrouwtje is roodbruin met gestreepte flanken. Kenmerkend is de gewoonte om de staart heen en weer te zwaaien.

Afrikaanse klauwiervliegenvanger (Megabyas flammulatus)
Foto: Tommy Andriollo — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een herhaald, droog tsjik-tsjik of tsjek, en een kort, helder fluitje van twee of drie tonen. Ook snavelklappen. Het geluid draagt niet ver en de vogel is vaak stil.

Luister: ZangXC399952

Opname: Patrik Åberg — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

15–16 cm. Het mannetje is van boven glanzend blauwzwart, met een witte stuit die in vlucht opvalt, en van onderen zuiver wit, van keel tot onderstaartdekveren. Het oog is rood en de brede, gehaakte snavel zwart. Het vrouwtje heeft een grijsbruine kop, een warm roodbruine rug, stuit en staart, en is van onderen wit met bruine lengtestreepjes op borst en flanken. Jonge vogels lijken op het vrouwtje. De vogel zit rechtop als een vliegenvanger en zwaait bij het zitten de staart van links naar rechts.

Verwarrings­soorten

Het mannetje van de zwart-witte klauwiervliegenvanger Bias musicus heeft een kuif, een zwarte borst, een geel oog en een kortere staart; het vrouwtje heeft een zwarte kop en een kastanjebruine rug zonder strepen van onderen. De zwartkeellelvliegenvanger Platysteira peltata is kleiner, met een rood oogleltje en een zwarte borstband. De Afrikaanse paradijsmonarch Terpsiphone viridis heeft een lange staart, een blauw oogleltje en een grijze of roestkleurige onderzijde.

Leefgebied

Vochtig altijdgroen bos, ook secundair bos, bosranden, galerijbos langs rivieren en oude plantages met schaduwbomen. Foerageert in de middelste etage en het bladerdak, vaak in gemengde foerageertroepen; vangt insecten in korte uitvallen vanaf een zitplaats en pakt ze van bladeren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen aan de noordrand: het noorden van Angola (Cabinda, Uíge, Cuanza Norte en de Lunda-provincies) en, zeer lokaal, galerijbos in het uiterste noordwesten van Zambia in het district Mwinilunga. Daarbuiten van Sierra Leone door het Congobekken tot Oeganda en West-Kenia.

  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond, maar beperkt tot het noorden van Angola en het uiterste noordwesten van Zambia. Zoek in galerijbos en bosranden naar een rechtop zittende zwart-witte vogel die de staart heen en weer zwaait; volg gemengde foerageertroepen in de middelste etage.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; wijdverspreid in het Afrikaanse regenwoud. Aan de zuidrand, in het gebied, is de soort schaars en afhankelijk van bos en galerijbos, die plaatselijk worden gekapt voor landbouw.

Wetenschappelijke naam

Megabyas flammulatus | Verreaux & Verreaux, 1855

Verreaux & Verreaux beschreef de soort in 1855 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Megabyas voerde hij in datzelfde werk in. Megabyas combineert het Griekse mega, 'groot', met Bias, het geslacht waaraan deze soort duidelijk verwant is. flammulatus is nieuw-Latijn voor 'met vlamvormige tekening', van het Latijnse flammula, 'vlammetje' (verkleinwoord van flamma, 'vlam'). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Munirivier (grens Gabon–Equatoriaal-Guinea).