Alle soorten › Zangvogels › Gevlekte boomkruipers › Afrikaanse gevlekte boomkruiper
Afrikaanse gevlekte boomkruiper | Salpornis salvadori
African Spotted Creeper | Agateador Moteado Africano
De Afrikaanse gevlekte boomkruiper is een kleine, dicht gevlekte stamklimmer van open loofbos, en de enige vertegenwoordiger van zijn familie in het gebied. Hij kruipt in schokkerige sprongetjes spiraalsgewijs langs stammen en dikke takken omhoog en valt door zijn schutkleur tegen de schors nauwelijks op.
Geluid
Weinig opvallend. Een hoog, dun en sissend tsie-tsie-tsie als contactroep, en een zang van enkele ijle, dalende fluittonen, swiepie-swie-swie-swie, die vaak wegvalt tegen het achtergrondgeluid van het bos.
Opname: Dries Van de Loock — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
15 cm. De bovenzijde is donker grijsbruin, dicht bespikkeld en gebandeerd met wit en zeemkleur; de onderzijde is vuilwit tot lichtbruin met fijne donkere bandjes en vlekken. Een lichte wenkbrauwstreep en een donkere oogstreep tekenen de kop. De snavel is lang, dun, spits en duidelijk neerwaarts gebogen. De vleugels zijn wit en zwartbruin geblokt, wat in vlucht een opvallend gebandeerd patroon geeft. De staart is vrij kort, gebandeerd en niet verstijfd; de vogel steunt er bij het klimmen niet op. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn iets doffer en minder scherp getekend.
Verwarringssoorten
De kardinaalspecht Dendropicos fuscescens klimt ook langs stammen, maar heeft een rechte, beitelvormige snavel, een verstijfde staart waarop hij steunt en een gestreepte, niet gevlekte onderzijde. De Zuid-Afrikaanse boomhop Rhinopomastus cyanomelas heeft ook een sterk gebogen snavel en foerageert op schors, maar is groter, glanzend zwart en langstaartig. In het gebied komt geen andere boomkruiper voor; het spiraalsgewijs klimmen en het wegvliegen naar de voet van de volgende boom zijn kenmerkend.
Leefgebied
Open loofbos, vooral miombo met Brachystegia en Julbernardia, verder ander hoog droog loofbos en soms boomgaarden met mango's, grofweg tussen 900 en 1800 m. Zoekt insecten, spinnen en larven in schorsspleten. Het nest is een ondiep kommetje op een horizontale tak, vaak in een vork, gecamoufleerd met korstmos, spinnencocons en rupsenkeutels, zodat het op een knoest lijkt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
In het gebied in het noordoostelijke deel: op het plateau van Midden-Angola, verspreid door Zambia en Malawi, in het westen en midden van Mozambique en in Zimbabwe op het Mashonaland-plateau en langs de Zambezi-escarpement (ondersoort xylodromus). Ontbreekt in Namibië, Botswana en Zuid-Afrika. Daarbuiten versnipperd van West-Afrika tot de hooglanden van Ethiopië en via Oeganda, Kenia en Tanzania.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Jaarrond, maar schaars en vaak over het hoofd gezien. Loop langzaam door miombo en let op elke kleine gespikkelde vogel die schokkerig tegen een stam omhoog kruipt; hij sluit zich vaak aan bij gemengde foerageergroepen met mezen, tjagra's en vliegenvangers. Vliegt hij weg, dan landt hij bijna altijd laag tegen de stam van de volgende boom.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, maar in het gebied overal schaars en plaatselijk. De soort is afhankelijk van volgroeid miombo met hoge bomen, en gaat achteruit waar dat bos wordt gekapt voor brandhout, houtskool en akkers.
Wetenschappelijke naam
Salpornis salvadori | (Bocage, 1878)
Bocage beschreef de soort in 1878 als Hylypsornis salvadori; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Salpornis werd in 1847 ingevoerd door Gray. Salpornis is gevormd uit het Griekse salpinktēs, een oude vogelnaam die als 'winterkoning' wordt uitgelegd, en ornis, 'vogel'. salvadori eert de Italiaanse ornitholoog Tommaso Salvadori (1835–1923). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Caconda, provincie Huíla, Angola.

