Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Futenkoeten › Afrikaanse fuutkoet

Afrikaanse fuutkoet | Podica senegalensis

African Finfoot | Avesol Africano

De Afrikaanse fuutkoet is een van de meest gezochte vogels van het gebied: een schuwe, laag in het water liggende zwemmer van schaduwrijke rivieroevers, met een lange hals, een dolkvormige rode snavel en felrode tot oranje poten met gelobde tenen. De familie van de fuutkoeten telt maar drie soorten, verspreid over Afrika, Azië en de Amerikaanse tropen.

Afrikaanse fuutkoet (Podica senegalensis)
Foto: Clint Ralph — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal stil. Soms een scherp, eendachtig skwak bij alarm, en een zacht grommend of kwakend geluid tussen de partners. Het geluid speelt bij het vinden van de vogel nauwelijks een rol.

Luister: RoepXC721821

Opname: Lynette Rudman — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

46–65 cm lang; het mannetje is duidelijk groter dan het vrouwtje. Van boven donkerbruin met fijne witte stippen en lijntjes, de lange staart is breed en stijf. Het mannetje van de zuidelijke ondersoort heeft een leigrijze kop en hals met een witte streep langs de halszijde en een grijze keel; het vrouwtje is kleiner, met een bruinere kop, een witte keel en voorhals en een duidelijke witte halsstreep. De snavel is fel oranjerood, de poten en de gelobde tenen zijn helder oranjerood en bij het zwemmen soms net onder water te zien. Zwemt laag in het water met de kop schokkend heen en weer, en rent bij verstoring spetterend over het water weg. Klimt ook op overhangende takken om te rusten.

Verwarrings­soorten

Op het water kan de vogel aan de Afrikaanse slangenhalsvogel Anhinga rufa of de Afrikaanse dwergaalscholver Microcarbo africanus doen denken, maar die hebben een zwarte of donkere snavel, geen rode poten en duiken vaker. De fuut Podiceps cristatus heeft een kuif, een witte hals en een korte staart, en leeft op open water in plaats van onder overhangende oevervegetatie. De felrode snavel en poten zijn bij goed zicht beslissend.

Leefgebied

Langzaam stromende rivieren en beken, en ook stuwmeren en lagunes, altijd met dichte, tot in het water overhangende oevervegetatie zoals rietgras, struiken en boomwortels. Foerageert in de schaduw vlak langs de oever en pikt insecten, kreeftjes, slakken, kikkers en kleine vissen van het water en van de takken. Het nest is een ondiepe kom van takjes en rietbladeren op een overhangende tak, vaak op plekken waar drijfhout zich heeft opgehoopt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied vooral in het oosten en noorden: in Zuid-Afrika langs de rivieren van de Oost-Kaap, KwaZulu-Natal, Mpumalanga en Limpopo, verder in Eswatini, Mozambique, Zimbabwe, Malawi en Zambia. In het noorden van Botswana en Namibië langs de Okavango, Chobe, Kwando en Zambezi, en in Angola langs de grotere rivieren. Ontbreekt in het droge westen en binnenland. Daarbuiten over grote delen van Afrika ten zuiden van de Sahara, van Senegal tot Ethiopië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het beste zoek je de vogel vanuit een boot die langzaam langs een beschaduwde oever drijft, in de vroege ochtend of late middag: op de Chobe bij Kasane, de Okavango bij Shakawe, de Zambezi boven de Victoriawatervallen, en in Zuid-Afrika in de Mkhuze- en Pongola-rivieren en op de rivieren van de Oost-Kaap. Kijk naar een laag zwemmend silhouet met rode snavel dat vlak voor de oever naar voren schokt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, maar overal schaars en zelden waargenomen, en lokaal kwetsbaar voor het kappen van oevervegetatie, verstoring door bootverkeer en vervuiling of verzanding van rivieren. De dichtheden zijn gering: een paar bezet een lange strook rivier.

Wetenschappelijke naam

Podica senegalensis | (Vieillot, 1817)

Vieillot beschreef de soort in 1817 als Heliornis senegalensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Podica werd in 1831 ingevoerd door Lesson. Podica komt van het Latijnse podicus, 'van de voet', van het Griekse pous, podos, 'voet' — Lesson benoemde het geslacht naar de tenen met gelobde zwemvliezen. senegalensis verwijst naar Senegal, waar het eerste exemplaar vandaan kwam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.