Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Zwarte tapuit

Zwarte tapuit | Oenanthe leucura

Black Wheatear | Collalba negra

De zwarte tapuit is de grootste en zwaarste tapuit van de Maghreb, een geheel zwarte vogel met een witte stuit en staartbasis. Hij is een standvogel van rotswanden, kloven en stenige hellingen van Marokko tot Tripolitanië en sjouwt als enige vogel stapels steentjes naar zijn nest.

Zwarte tapuit (Oenanthe leucura)
Foto: William Stephens — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een luide, heldere en wat lijsterachtige strofe van fluittonen met krassende noten ertussen, vanaf een richel of in een golvende zangvlucht langs de rotswand; al vanaf januari. De roep is een helder pie-pie en bij onraad een droog tsjak-tsjak.

Luister: ZangXC1098067

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

16–18 cm. Groot en fors, met een lange staart en een stevige zwarte snavel. Het mannetje is geheel roetzwart, met een lichte glans; het vrouwtje is donker chocoladebruin en doffer, maar even zo getekend. Stuit, onderstaartdekveren en staartbasis zuiver wit; op de staart staat een zwarte omgekeerde T van brede eindband en zwarte middenveren, zodat het wit in vlucht abrupt door het zwarte uiteinde wordt afgesneden. Jonge vogels zijn bruinzwart met hetzelfde staartpatroon.

Verwarrings­soorten

De witkruintapuit (Oenanthe leucopyga) is slanker en langsnaveliger, heeft als volwassen vogel een witte kruin en een vrijwel geheel witte staart met zwart alleen in het midden en op de punten, zonder doorlopende eindband; let op eerstejaars witkruintapuiten zonder witte kruin, die alleen aan de staart te herkennen zijn. De basaltvorm van de rouwtapuit (Oenanthe lugens) is ook zwart, maar komt alleen in Noordoost-Jordanië en Zuid-Syrië voor. De zwarte roodstaart (Phoenicurus ochruros) is veel kleiner en heeft een roestrode staart. De blauwe rotslijster (Monticola solitarius) mist de witte stuit.

Leefgebied

Rotswanden, kloven, steile puinhellingen en stenige berghellingen met wat begroeiing, ook steengroeven en oude muren; van de kust tot boven 2.000 m in de Atlas, aan de woestijnrand ook op rotsige hamada's. Nestelt in rotsspleten en holten, waarvoor hij een platform van honderden steentjes aanlegt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Standvogel in Noordwest-Afrika: verspreid over Marokko, van de Rif en de Middel- en Hoge Atlas tot de Anti-Atlas en de noordrand van de Sahara, maar niet in de Atlantische laagvlakten; in Noord-Algerije, van de Tell-Atlas tot de Sahara-Atlas en verder zuidelijk in de rotsige bergen van de noordelijke Sahara; in het noorden en midden van Tunesië en, schaars, in de Jebel Nafusa in Tripolitanië (Libië). Daarbuiten alleen op het Iberisch Schiereiland; uit Zuid-Frankrijk is hij verdwenen.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Marokko algemeen in de kloven van de Todra en de Dades en langs de rotswanden van de Anti-Atlas. Het mannetje zingt vaak hoog op een richel en vliegt dan in een golvende vlucht langs de wand; de witte stuit is ver te zien.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In de Maghreb vrij algemeen in geschikt rotsterrein en weinig bedreigd; aan de noordrand van zijn areaal in Europa sterk achteruitgegaan.

Wetenschappelijke naam

Oenanthe leucura | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Turdus leucurus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Oenanthe werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Oenanthe gebruikte Aristoteles voor een vogel die niet meer thuis te brengen is; het woord komt van het Griekse oinos, oinoē 'wijn, wijnstok' en anthos 'bloem, bloei'. leucura gaat terug op het Griekse leukouros 'witstaartig', van leukos 'wit' en oura 'staart', naar de witte staart onder het verder zwarte kleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Gibraltar.