Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Woestijnplevier

Woestijnplevier | Anarhynchus leschenaultii

Greater Sand-Plover | Chorlitejo mongol grande

De grotere van de zandplevieren, en op de wadplaten van de Rode Zee, de Perzische Golf en de Arabische Zee een van de talrijkste steltlopers. In de woestijnen van Jordanië en Syrië broedt hij bovendien, ver van de kust, op kale vlakten.

Woestijnplevier (Anarhynchus leschenaultii)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zachte, rollende triller, trrri of prrrp, langer en zachter dan de roep van de tibetaanse plevier; in de broedtijd een melodieuze, herhaalde baltsroep.

Luister: VluchtroepXC1053882

Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Groot voor een plevier, met een grote kop, lange poten en een lange, zware zwarte snavel met verdikte punt; de snavel is minstens zo lang als de afstand van snavelbasis tot achterkant van het oog. De poten zijn grijsgroen tot geelachtig. Het mannetje in prachtkleed heeft een zwart masker, een wit voorhoofd en een smalle oranjeroestige borstband; bij de broedvogels van de Levant (columbinus) is die band breder en loopt hij door op de flanken. In winterkleed egaal grijsbruin van boven, met een witte wenkbrauwstreep en grijsbruine borstvlekken. In vlucht een duidelijke witte vleugelstreep en tenen die voorbij de staart steken.

Verwarrings­soorten

De tibetaanse plevier (Anarhynchus atrifrons) is kleiner en ronder, met een kortere, stompe snavel, een kleinere kop en kortere, donkere poten waarvan de tenen in vlucht niet voorbij de staart steken; in gemengde groepen is het verschil in grootte het beste houvast. De Kaspische plevier (Anarhynchus asiaticus) is slanker, met een dunne snavel en een volledige borstband. De bontbekplevier (Charadrius hiaticula) heeft oranje poten en een volledige halsband; de strandplevier (Anarhynchus alexandrinus) is kleiner, met een witte nekband.

Leefgebied

's Winters getijdenslikken, zand- en slikplaten, lagunes, kreken in mangroven en zoutpannen, bij hoog water op stranden en schoorwallen. Broedt op droge, open vlakten: stenige en kleiige woestijn, randen van zoutvlakten en kale steppe met spaarzame begroeiing, vaak ver van water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt in het oosten van Jordanië (onder meer rond Azraq) en in de woestijnsteppe van Syrië. Als wintergast talrijk langs de Rode Zeekust van Egypte, Saoedi-Arabië en Jemen, in Socotra en de Golf van Aden, langs de Arabische Zee in Oman (Barr al Hikman, Masirah, Dhofar) en langs de Perzische Golf van Koeweit en Zuid-Irak tot de Emiraten. In Israël een vrij algemene doortrekker bij Eilat en een schaarse wintergast; aan de Middellandse Zeekust van Egypte, Libië en Tunesië een schaarse wintergast. In Algerije en Marokko zeldzaam. Daarbuiten broedt hij van Turkije en de Kaukasus via Iran tot Mongolië en overwintert hij aan de kusten van Oost- en zuidelijk Afrika, Zuid-Azië en Australië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Barr al Hikman in Oman houdt 's winters tienduizenden steltlopers, met deze soort als een van de talrijkste; de lagunes van Abu Dhabi en de baaien van Oost-Saoedi-Arabië zijn eveneens goed. Ga bij opkomend water, als de vogels dichter bij het strand komen. Broedvogels zoek je van maart tot mei in de stenige vlakten rond Azraq.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, maar in aantal afnemend. In het gidsgebied bedreigen kustontwikkeling, inpoldering van wadplaten in de Golf, verstoring en vervuiling de wintergebieden; het broedgebied in de Levant lijdt onder overbegrazing en ontginning.

Wetenschappelijke naam

Anarhynchus leschenaultii | (Lesson, 1826) (GBIF: Charadrius leschenaultii)

Lesson beschreef de soort in 1826 als Charadrius Leschenaultii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anarhynchus werd in 1832 ingevoerd door Quoy & Gaimard. Anarhynchus is Grieks, van ana- 'naar achteren, omgekeerd' en rhunkhos 'snavel', naar de zijwaarts gebogen snavel van de krombekplevier, de soort waarnaar het geslacht genoemd is. leschenaultii eert de Franse plant- en vogelkundige Jean-Baptiste Leschenault de La Tour (1773–1826), die op Java en in India verzamelde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Pondicherry in India.