Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Vorkstaartmeeuw

Vorkstaartmeeuw | Xema sabini

Sabine's Gull | Gaviota de Sabine

Een kleine, lichtgebouwde meeuw van de hoge Arctis, die buiten de broedtijd op open zee leeft. De vogels uit Groenland en Noordoost-Canada trekken over de oostelijke Atlantische Oceaan naar het opwellende water voor Zuidwest-Afrika, en passeren daarbij de kust van Marokko en de Westelijke Sahara; daar is hij een geregelde, maar meestal verre doortrekker.

Vorkstaartmeeuw (Xema sabini)
Foto: TheFlyingPanda — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Buiten de broedtijd vrijwel stil. In de broedgebieden een raspend, sternachtig kriek-kriek, hoger en harder dan de roep van de drieteenmeeuw.

Luister: ZangXC933306

Opname: Stein Ø. Nilsen — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Klein, met een gevorkte witte staart en lange, spitse vleugels met een uniek driekleurig patroon: grijze voorvleugel en mantel, zwarte buitenste handpennen en een witte driehoek van binnenste handpennen en armpennen. Zomerkleed: leigrijze kap met een smal zwart randje onderaan, zwarte snavel met gele punt, donkere poten. In winterkleed is de kop wit met een donkere achterhals. Jonge vogels hebben hetzelfde vleugelpatroon, maar met grijsbruine, fijn geschubde mantel en voorvleugel, een grijsbruine zijhals en een zwarte eindband op de staart. Vliegt licht en sternachtig.

Verwarrings­soorten

De jonge drieteenmeeuw (Rissa tridactyla) heeft een zwarte W over de vleugels en een zwarte nekband, en een rechte staart. De jonge dwergmeeuw (Hydrocoloeus minutus) is kleiner, met ronde vleugeltoppen en eveneens een W-patroon. Volwassen kokmeeuwen (Chroicocephalus ridibundus) hebben een witte handwig, maar geen witte driehoek op de arm. Op grote afstand kan een vogel aan een stern doen denken, maar het scherpe vleugelpatroon blijft zichtbaar.

Leefgebied

Op trek uitsluitend op open zee, meestal ver uit de kust boven het continentaal plat, vaak bij opwellend, voedselrijk water. Komt alleen na zware stormen dicht onder de kust, in havens of bij uitzondering op binnenwater.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Een geregelde doortrekker op zee voor de Atlantische kust van Marokko en de Westelijke Sahara, in het najaar van augustus tot oktober en in kleinere aantallen in april en mei; vanaf het land zelden en vooral bij aanlandige wind te zien, maar tijdens pelagische tochten voor Agadir en Dakhla soms in groepjes. In de Straat van Gibraltar en de Middellandse Zee een dwaalgast. In Israël enkele gevallen: twee in de Golf van Akaba bij Eilat (1989 en 1992) en een in het voorjaar van 2009 bij Ma'agan Michael aan de Middellandse Zee. Elders in het Midden-Oosten uitzonderlijk. Daarbuiten broedt hij op de Arctische toendra van Alaska, Canada, Groenland, Spitsbergen en Siberië en overwintert op zee voor Zuidwest-Afrika en voor de westkust van Zuid-Amerika.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Een pelagische tocht of zeetrektelling bij een kaap aan de Marokkaanse Atlantische kust in september, na een stevige zuidwester, geeft de beste kans. Zoek tussen de jagers en sterns naar een kleine meeuw met een opvallend zwart-wit-grijs vleugelpatroon.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en met een grote, afgelegen broedpopulatie. Mogelijke risico's liggen vooral in de broedgebieden (klimaatverandering in de Arctis) en in vervuiling en bijvangst in de overwinteringsgebieden.

Wetenschappelijke naam

Xema sabini | (Sabine, 1819)

Sabine beschreef de soort in 1819 als Larus Sabini; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Xema werd in 1819 ingevoerd door Leach. Xema lijkt een verzonnen naam zonder betekenis; William Leach voerde hem in 1819 in zonder toelichting. sabini eert de Britse poolreiziger Edward Sabine (1788–1883), die de eerste exemplaren verzamelde op eilandjes voor de westkust van Groenland; zijn broer Joseph beschreef de soort naar dat materiaal. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Sabine-eilanden bij Groenland.