Alle soorten › Steltloperachtigen › Vorkstaartplevieren › Steppevorkstaartplevier

Steppevorkstaartplevier | Glareola nordmanni

Black-Winged Pratincole | Canastera alinegra

De donkerste vorkstaartplevier, een broedvogel van de steppen tussen de Zwarte Zee en Kazachstan, die de hele wereldpopulatie naar zuidelijk Afrika en terug brengt. Die trek loopt over het oosten van het gidsgebied, waar in het voorjaar en de nazomer groepen van tientallen tot honderden vogels over pivotvelden en graslanden jagen.

Steppevorkstaartplevier (Glareola nordmanni)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een droog, hard kik-kik en een ratelend kirrik, meestal in de vlucht; iets lager dan bij de vorkstaartplevier, maar in het veld geen betrouwbaar kenmerk.

Luister: VluchtroepXC301539

Opname: Daniel Danckwerts — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Donkerder en egaler bruin van boven dan de vorkstaartplevier, met een crèmekleurige keel in een zwarte omlijsting, een rode snavelbasis en lange zwarte poten; de witte oogring ontbreekt of is zwak. In rust reiken de staartpennen niet tot aan de vleugelpunten. In vlucht: witte stuit, zwarte staart, geen witte achterrand aan de armpennen en een geheel zwarte ondervleugel, die scherp afsteekt tegen de witte buik. De bovenvleugel is egaal donker, zonder contrast tussen arm en hand.

Verwarrings­soorten

De vorkstaartplevier (Glareola pratincola) heeft een kastanjebruine ondervleugel, een smalle witte achterrand aan de arm, een iets bleker bruine rug met donkerder handpennen en een langere staart. Let op: in schaduw of bij tegenlicht oogt ook een kastanjebruine ondervleugel zwart, zodat de achterrand het betrouwbaarste kenmerk is. De oosterse vorkstaartplevier (Glareola maldivarum) mist eveneens de witte achterrand, maar heeft een kastanjebruine ondervleugel en een oranjetint op de borst.

Leefgebied

Broedt op zilte steppen en drooggevallen meeroevers. Op doortrek in het gidsgebied vooral boven en op pivotvelden en ander bevloeid akkerland, natte en kortgemaaide graslanden, rioolwaterplassen, de randen van sebkha's en visvijvers; jaagt vliegend op sprinkhanen, kevers en andere insecten en rust op kale grond.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Trekt vooral door het oosten van het gebied. In Israël een vrij algemene doortrekker, in het voorjaar (april–mei) en de nazomer (augustus–september), vooral in de Jordaanvallei, het Bet She'an- en Hula-dal en de Arava. In Koeweit en Oost-Saoedi-Arabië een vrij algemene voorjaarstrekker, met groepen van honderden vogels op de pivotvelden van Sulaibiya; in de rest van Saoedi-Arabië (onder meer rond Riyad) schaarser. Ook in Irak op doortrek. In de Emiraten, Qatar en Bahrein een regelmatige, plaatselijk vrij algemene doortrekker; in Oman en Jemen schaars, in Jordanië, Syrië en Libanon schaars tot zeldzaam. In Egypte schaars, vooral op de Sinaï en langs de Suezgolf; in Marokko en elders in Noord-Afrika een dwaalgast. Daarbuiten broedt hij van Oekraïne en Zuid-Rusland tot Kazachstan en Zuidwest-Siberië en overwintert hij in zuidelijk Afrika.

  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In het voorjaar in Koeweit (Sulaibiya) of in de Bet She'an-vallei in Israël, en in de nazomer op pivotvelden in de Emiraten, Qatar en Oost-Saoedi-Arabië: bekijk elke groep vorkstaartplevieren in vlucht, het liefst met de zon in de rug, en zoek naar vogels zonder witte achterrand en met een egaal zwarte ondervleugel.

Staat van instandhouding

Gevoelig. De broedpopulatie is sterk afgenomen door het omploegen en overbegrazen van de steppen en het verdwijnen van broedplaatsen, vooral in Oekraïne en Rusland. Op de trek is de soort kwetsbaar voor insecticiden op landbouwgrond en het verdwijnen van tijdelijke wetlands; de pivotvelden in Arabië bieden wel nieuwe pleisterplaatsen.

Wetenschappelijke naam

Glareola nordmanni | Fischer von Waldheim, 1842

Fischer von Waldheim beschreef de soort in 1842 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Glareola werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Glareola is een Latijns verkleinwoord van glarea 'grind', naar de kale grindige grond waarop vorkstaartplevieren broeden. nordmanni eert de in Finland geboren zoöloog en ontdekkingsreiziger Alexander von Nordmann (1803–1866). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de steppen van zuidelijk Rusland.