Alle soorten › Zangvogels › Spreeuwen › Spreeuw

Spreeuw | Sturnus vulgaris

Common Starling | Estornino pinto

De spreeuw is in het gidsgebied vooral een wintergast uit Europa en West-Azië. In de olijfgaarden van de Maghreb, in de Nijldelta en in het noorden van de Levant en Irak overwinteren enorme aantallen, die tegen zonsondergang in golvende zwermen naar hun slaapplaatsen trekken.

Spreeuw (Sturnus vulgaris)
Foto: Tisha Mukherjee — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een lange, babbelende reeks van fluittonen, klikjes, ratels en imitaties van andere vogels en geluiden, ook in de winter op de slaapplaats te horen. Roept een schor sjrèèh en in vlucht een kort prruut; alarm een droog kjett.

Luister: VluchtroepXC1142838

Opname: Uku Paal — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

19–22 cm. Gedrongen, met een korte staart, een spitse snavel en driehoekige vleugels. In vers winterkleed zwart met een groene en paarse glans, dicht bezet met witte en lichtbruine vlekken, met lichtbruin gerande vleugel- en staartveren en een donkere snavel. Tegen het voorjaar slijten de vlekken weg, wordt het kleed glanzender en de snavel geel (bij het mannetje met een blauwgrijze, bij het vrouwtje met een roze basis). Jonge vogels zijn egaal grijsbruin met een lichtere keel en een donkere snavel. Loopt snel en waggelend; vliegt snel en recht, met afwisselend klapwieken en glijden.

Verwarrings­soorten

De zwarte spreeuw (Sturnus unicolor), standvogel in de Maghreb, is in alle kleden donkerder en egaler, met hooguit zeer fijne stippels, een paarse glans zonder groen en lange keelveren. Jonge roze spreeuwen (Pastor roseus) zijn bleek zandbruin, met een gelige snavel, een lichtere stuit en licht gerande vleugels. De treurmaina (Acridotheres tristis) is bruin met een zwarte kop, een gele oogvlek en een witte vleugelvlek.

Leefgebied

In de winter vooral olijfgaarden, dadelpalm- en andere boomgaarden, akkers, weiden en vuilstortplaatsen, maar ook stadsparken. Slaapt gezamenlijk in rietvelden, bomenrijen, palmen en stadsbomen, soms met honderdduizenden vogels. Eet in de winter vooral olijven, dadels en ander fruit en ongewervelden uit de grond.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Talrijke wintergast in het noorden van Marokko, Algerije en Tunesië (met grote aantallen in de olijfgaarden rond Sousse en Sfax), in het noordwesten van Libië en in de Nijldelta en het Nijldal van Egypte. In het Midden-Oosten talrijk in Syrië, Libanon, Israël, Jordanië en Irak en algemeen in Koeweit en het noorden en oosten van Saoedi-Arabië; zuidelijker, in Bahrein, Qatar, de Emiraten en Noord-Oman, schaars, en in Jemen zeldzaam. Als broedvogel in het gebied hooguit zeldzaam en onregelmatig. Daarbuiten broedt hij in Europa en West- en Centraal-Azië tot het Baikalmeer; ingevoerd in onder meer Noord-Amerika, Zuid-Afrika, Australië en Nieuw-Zeeland.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De avondlijke slaapplaatsvlucht in de winter: in de olijfgaarden van Tunesië en Noord-Algerije, in de Nijldelta of in het noorden van Israël trekken zwermen van tienduizenden vogels als rookwolken door de lucht, vaak achtervolgd door een slechtvalk of sperwer. In de Maghreb loont het de zwermen af te zoeken naar zwarte spreeuwen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In grote delen van Europa sterk achteruitgegaan door de intensivering van de landbouw. In het gidsgebied geldt hij in de olijfteelt als plaag en wordt hij in de Maghreb plaatselijk bejaagd en gevangen.

Wetenschappelijke naam

Sturnus vulgaris | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Sturnus voerde hij in datzelfde werk in. Sturnus is het Latijnse woord voor 'spreeuw'. vulgaris is Latijn voor 'gewoon, algemeen'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.