Alle soorten › Zangvogels › Mussen › Spaanse mus

Spaanse mus | Passer hispaniolensis

Spanish Sparrow | Gorrión moruno

De mus van het platteland in Noord-Afrika en de Levant: een koloniebroeder van bomen en struwelen die in de Maghreb de plaats inneemt die de huismus in de stad heeft, en die buiten de broedtijd in zwermen van duizenden over akkers en steppen trekt. Op het Arabisch schiereiland is hij vooral een wintervogel uit het noorden.

Spaanse mus (Passer hispaniolensis)
Foto: Dûrzan — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een iets hoger, voller en metaliger tsjilp dan bij de huismus, vaak in snelle reeksen; in kolonies een aanhoudend, luid gekwetter. Groepen in vlucht laten een rollend tsjur-tsjur horen.

Luister: ZangXC1178070

Opname: András Schmidt — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 15–16 cm, iets groter en forser dan een huismus. Het mannetje heeft een geheel kastanjebruine kruin en nek, een zuiver witte wang, een smalle witte wenkbrauwstreep achter het oog en een grote zwarte bef die over de hele borst uitloopt in zware zwarte druppels en strepen op borst en flanken. De mantel is zwart met roomkleurige strepen, de vleugel kastanjebruin met een witte streep. Na de rui in het najaar zijn kruin en zwart door lichte veerranden gedempt, maar de gestreepte flanken blijven zichtbaar. Het vrouwtje lijkt sterk op een vrouwtje huismus, maar heeft vaak een vage streping op borst en flanken, een lichtere wenkbrauwstreep en lichtere rugstrepen.

Verwarrings­soorten

De huismus (Passer domesticus) heeft een grijze kruin, een grauwe wang en een kleinere bef zonder strepen op de flanken. De Italiaanse mus (Passer italiae) en de Italiaans uitziende mengvormen van Algerije en Tunesië hebben ook een kastanjebruine kruin en witte wang, maar een kleine bef en effen lichte flanken; in de Maghreb komen alle tussenvormen voor. De Moabmus (Passer moabiticus) is kleiner, met een grijze kop, een geel vlekje aan de halszijde en een kleine bef. Vrouwtjes zijn in groepen vaak alleen op de flankstreping van vrouwtjes huismus te scheiden, en niet altijd.

Leefgebied

Open platteland met bomen en struiken: akkers, boomgaarden, olijfgaarden, oases en dadelpalmtuinen, rivieroevers met tamarisk en eucalyptus, hagen van jujube en acacia, tot op de hoogvlakten van de Atlas. Broedt in kolonies in bomen en struiken, vaak in de onderkant van ooievaars- of roofvogelnesten; nestelt minder in gebouwen dan de huismus. Buiten de broedtijd in grote zwermen in graanvelden en stoppels en op gezamenlijke slaapplaatsen in rietvelden en boomgroepen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In de Maghreb wijdverspreid: in Marokko vooral ten noorden van en in de Atlas en op de Atlantische vlakten, in Algerije en Tunesië in het noorden, op de hoogvlakten en in de noordelijke Sahara-oases, en in Libië in Tripolitanië en Cyrenaica. In Egypte vooral wintergast en doortrekker in de Nijldelta, de Nijlvallei en de Sinaï. In de Levant broedt hij in Israël, Jordanië, Libanon en Syrië en in het noorden van Irak, met veel trek door de Jordaanvallei. In de winter verspreid over Irak, Koeweit, Saoedi-Arabië en de Golfstaten, schaarser in Oman en Jemen. Verder van Macaronesië en het Iberisch schiereiland via de Balkan en Turkije tot Centraal-Azië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Marokko en Tunesië is een kolonie het makkelijkst te vinden in een eucalyptus of een ooievaarsnest bij een boerderij. In de Levant en de Golfstaten zijn de winterzwermen bij graanvelden en slaapplaatsen in het riet vaak groot; zoek daarin naar de gestreepte flanken om ze van huismussen te scheiden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Talrijk en in delen van het areaal zelfs in opmars. In de Maghreb wordt hij op graanakkers als plaag beschouwd en soms bestreden.

Wetenschappelijke naam

Passer hispaniolensis | (Temminck, 1820)

Temminck beschreef de soort in 1820 als Fringilla hispaniolensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Passer werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Passer is het Latijnse woord voor 'mus'. hispaniolensis is Neolatijn voor 'Spaans', naar Algeciras in Zuid-Spanje, waar het typemateriaal vandaan kwam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Algeciras in Zuid-Spanje.