Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Seebohms tapuit
Seebohms tapuit | Oenanthe seebohmi
Seebohm's Wheatear | Collalba de Seebohm
Seebohms tapuit is de tapuit van de hoogvlaktes van de Atlas: een broedvogel die alleen in Marokko en Algerije voorkomt en in de westelijke Sahel overwintert. Lang gold hij als ondersoort van de tapuit; het zwarte gezicht en de zwarte keel van het mannetje maken hem in het veld meestal goed herkenbaar.
Geluid
De roep is een hard tsjak en een fluitend wiet, als bij de tapuit. De zang is een snelle, krassende strofe met fluittonen, iets trager en lager dan die van de tapuit en met duidelijker stijgende en dalende frasen, vaak in een zangvlucht.
Opname: Tero Linjama — CC BY-NC-SA 3.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
14,5–15,5 cm, bouw als de tapuit. Het mannetje in broedkleed heeft een blauwgrijze kruin en mantel met een brede witte voorhoofdsband en wenkbrauwstreep, en een zwart gezicht waarin masker, kin en keel samenvloeien tot een zwarte bef, soms tot op de bovenborst. Vleugels zwart, ondervleugeldekveren zwart. De onderzijde is witter dan bij de tapuit, met hooguit een zwak beige waas. Staartpatroon als bij de tapuit, een witte stuit met een zwarte omgekeerde T, maar met een iets smallere eindband. Het vrouwtje is variabel: sommige lijken sterk op een vrouwtje tapuit, andere hebben een donkere kin en teugel met lichte zomen en grijzere bovendelen.
Verwarringssoorten
Het mannetje tapuit (Oenanthe oenanthe) heeft een witte tot oranjebeige keel en alleen een zwart masker; vrouwtjes zijn zonder goed zicht op keel en ondervleugel vaak niet te onderscheiden, en tapuiten trekken in dezelfde maanden door de Atlas. Het zwartkelige mannetje van de westelijke blonde tapuit (Oenanthe hispanica) heeft een roomkleurige tot okergele rug zonder grijs en veel meer wit langs de staartzijden. De rouwtapuit (Oenanthe lugens) heeft een zwarte rug en een witte kruin.
Leefgebied
Stenige plateaus en schaars begroeide hellingen met verspreide rotsblokken en kussenplanten, vooral tussen 1700 en 2300 m; in Algerije plaatselijk veel lager. Nestelt in een gat in de grond of tussen stenen. Op doortrek in halfwoestijn en akkerland aan de voet van de Atlas.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedt in Marokko in de Rif, de Midden-Atlas, de Hoge Atlas en de centrale Anti-Atlas, en in het noordoosten van Algerije in de Aurès en de Djurdjura. Trekt door Zuid-Marokko en de Westelijke Sahara, in maart – april en augustus – oktober; in Zuid-Marokko overwinteren soms enkele vogels. Daarbuiten overwintert de soort in de westelijke Sahel, vooral in Zuidwest-Mauritanië, Noord-Senegal en West-Mali.
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De hoogvlakte van Oukaïmeden en de passen van de Midden-Atlas rond Ifrane en Zad zijn in mei – juni de beste plekken; de mannetjes zingen dan vanaf rotsblokken langs de weg. Let op tapuiten die er tegelijk doortrekken.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. De populatie is klein en beperkt tot een smal hoogtebereik, en daarmee gevoelig voor overbegrazing en klimaatverandering in de Atlas; in de Westafrikaanse winterkwartieren speelt de achteruitgang van savanne mee.
Wetenschappelijke naam
Oenanthe seebohmi | (Dixon, 1882) (GBIF: Oenanthe oenanthe)
Dixon beschreef de soort in 1882 als Saxicola seebohmi; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Oenanthe werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Oenanthe gebruikte Aristoteles voor een vogel die niet meer thuis te brengen is; het woord komt van het Griekse oinos, oinoē 'wijn, wijnstok' en anthos 'bloem, bloei'. seebohmi eert de Engelse ornitholoog Henry Seebohm (1832–1895), die veel over Palearctische zangvogels schreef. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Djebel Mahmel in Algerije.

