Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Rüppells grasmus
Rüppells grasmus | Curruca ruppeli
Rüppell's Warbler | Curruca de Rüppell
Rüppells grasmus is de opvallendste grasmus van de oostelijke trekroute: een broedvogel van de Egeïsche Zee en Zuid-Turkije die in het voorjaar en najaar in aantal door de Levant, de Sinaï en Egypte trekt, op weg naar en van het winterkwartier in Tsjaad en Soedan. Het mannetje met zijn zwarte keel en witte baardstreep is in een bloeiende acacia in Eilat of de Sinaï een van de hoogtepunten van de voorjaarstrek.
Geluid
De roep is een hard, houtig tsjek, vaak in reeksen, en bij onrust een droge ratel tserrr. De zang is een snel, hakkelend babbeltje met ratelende en krassende tonen tussen heldere fluitjes, voller dan bij de kleine zwartkop; trekkende mannetjes zingen in het voorjaar geregeld, ook vanuit een acacia in een wadi.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
13–14 cm. Slank, met een vrij lange, spitse vleugel. Het mannetje is onmiskenbaar: zwarte kap, kin en keel, daartussen een brede witte baardstreep van de snavelbasis tot de halszijde, zuiver grijze bovendelen en lichtgrijze tot witte onderdelen. De tertials en grote dekveren hebben opvallend lichte randen, die op de gevouwen vleugel een bleek paneeltje vormen. Oogring en iris roodbruin, staart zwart met witte buitenpennen. Het vrouwtje is grijs met een lichte keel, vaak een vage donkere zweem op de kin en een aangeduide baardstreep, maar houdt de lichte tertialranden; die zijn ook bij jonge vogels het beste houvast.
Verwarringssoorten
De kleine zwartkop (Curruca melanocephala) heeft een witte keel zonder baardstreep, egale tertials en een kortere vleugelpunt. De cyprusgrasmus (Curruca melanothorax), die in hetzelfde gebied overwintert, heeft bij het mannetje een witte baardstreep maar een zwart gespikkelde, niet egaal zwarte keel en borst. Ménétriés' zwartkop (Curruca mystacea) is bleker, heeft een roze waas op de onderdelen en wipt voortdurend met de staart. De sperwergrasmus (Curruca nisoria), die langs dezelfde route trekt, is veel forser, met twee lichte vleugelstrepen en een geel oog.
Leefgebied
Broedt op droge, rotsige hellingen met laag struweel, garrigue en verspreide bomen. Op de trek in elk terrein met struiken: wadi's met acacia en tamarisk, oases, kibboetstuinen, parken en kustduinen, ook midden in de woestijn waar een paar bomen staan.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedt in klein aantal in het westen van Syrië, aansluitend op de populatie van Zuid-Turkije; broeden in Libanon is niet bevestigd. Op de trek gewoon in Israël (vooral de Arava en Eilat), de Sinaï, Jordanië en Libanon, en verspreid door Egypte langs de Nijl en de Rode Zee; in het voorjaar ook langs de kust van Cyrenaica in Oost-Libië en schaars in Noordwest-Saoedi-Arabië. In Irak, Koeweit en de Golfstaten een zeldzame dwaalgast, westelijker in de Maghreb uitzonderlijk. Daarbuiten broedt hij op de zuidelijke Balkan, de Egeïsche eilanden, Kreta en in West- en Zuid-Turkije, en overwintert hij aan de zuidrand van de Sahara in Tsjaad en Soedan.
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het beste moment is half maart tot half april in Eilat: de parken en het ringstation bij de zoutpannen leveren dan geregeld zingende mannetjes op. Ook de wadi's rond Sint-Katharina in de Sinaï en de oase van Azraq in Jordanië zijn goed tijdens de voorjaarstrek. In het najaar zijn de vogels stiller en vaker vrouwtjes of jonge vogels: let op de lichte tertialranden.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en de stand lijkt stabiel. Het kleine broedareaal maakt de soort gevoelig voor het verlies van struweel door bebouwing en branden, en in het winterkwartier voor droogte en overbegrazing in de Sahel.
Wetenschappelijke naam
Curruca ruppeli | (Temminck, 1823) (GBIF: Sylvia ruppeli)
Temminck beschreef de soort in 1823 als Sylvia ruppeli; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Curruca werd in 1802 ingevoerd door Bechstein. Curruca is Latijn, de naam van een niet nader bepaald vogeltje dat bij de Romeinse dichter Juvenalis voorkomt. ruppeli eert de Duitse natuuronderzoeker en reiziger Eduard Rüppell (1794–1884), die in Noordoost-Afrika en Arabië verzamelde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Iraklion op Kreta.


