Alle soorten › Zangvogels › Mezen › Rouwmees
Rouwmees | Poecile lugubris
Sombre Tit | Carbonero lúgubre
Een grote, sobere mees van droge eikenbossen en rotsige hellingen met struiken, de typische mees van de Galilea en de Golan. In het gebied leeft hij alleen in het noorden van de Levant en in Koerdisch Irak; in Noord-Afrika ontbreekt hij.
Geluid
De zang is een herhaald, zoemend tsjiev-tsjiev-tsjiev of zrie-zrie-zrie, wat raspend en minder helder dan bij de koolmees. Roept een rauw, scheldend tsjrrr-rrr, rauwer dan bij andere mezen, en hoge sie-sie-roepjes.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
13,5–15 cm. Zo groot als een koolmees, maar met een langere staart en een zware snavel. Een grote, mat bruinzwarte kap tot onder het oog en een grote, rechthoekige zwarte bef omsluiten een witte wangvlek die naar achteren breder wordt. Bovendelen egaal grijsbruin, vleugels met lichtere randen aan de slagpennen; onderdelen vuilwit met een grijsbeige flank. Geen geel, geen vleugelstreep, geen nekvlek. Het vrouwtje heeft een iets bruinere kap. Jonge vogels zijn doffer, met een kleinere bef.
Verwarringssoorten
De koolmees (Parus major) heeft een glanzend zwarte kop, gele onderdelen met een zwarte buikstreep, een groenige rug en een witte vleugelstreep. De zwarte mees (Periparus ater) is veel kleiner en heeft een witte nekvlek en vleugelstrepen. Een vrouwtje zwartkop (Sylvia atricapilla) heeft wel een donkere kap maar geen bef en een dunne zangerssnavel.
Leefgebied
Open, droog eikenbos en eikenstruweel, rotsige hellingen met verspreide bomen en struiken, ravijnen, en de bovenrand van boomgaarden en olijfgaarden; in de bergen tot de boomgrens. Voelt zich meer dan andere mezen thuis in ruig, steil terrein. Nestelt in boomholten, rotsspleten en muurgaten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In Israël in het noorden: de Boven-Galilea, de Golan en de Hermon, plaatselijk tot de Karmel; in Libanon in de berggebieden, en in Syrië in de westelijke bergen en de Anti-Libanon. In Irak in de eikenbossen en ravijnen van Koerdistan. Elders in het gebied hooguit een uitzonderlijke zwerver. Daarbuiten van de Balkan en Griekenland door Turkije tot de Kaukasus en de Zagros in Iran.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De eikenbossen op de Golan (bij Odem en de Hermon-voet) en de Meron in de Boven-Galilea zijn de bekendste plekken; let in het voorjaar op de zoemende zang en het rauwe gescheld. In Koerdisch Irak komt hij voor in de bergen rond Sulaymaniyah en Barzan.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. Overal vrij schaars en in kleine dichtheden; in de Levant gevoelig voor het verlies van oud eikenbos door ontbossing, branden en bebouwing, en in Israël afhankelijk van een klein areaal in het noorden.
Wetenschappelijke naam
Poecile lugubris | (Temminck, 1820)
Temminck beschreef de soort in 1820 als Parus lugubris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Poecile werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Poecile is Grieks, van poikilos 'bont, veelkleurig'. lugubris is Latijn voor 'treurig, rouwend', naar het sobere bruingrijze verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Dalmatië en Hongarije.


