Alle soorten › Zangvogels › Boomklevers › Rotsklever

Rotsklever | Sitta neumayer

Western Rock Nuthatch | Trepador rupestre

De rotsklever is een klever die de bomen heeft verruild voor kale kalkrotsen: hij rent en springt over hellingen en wanden en metselt een flesvormig modderen nest tegen een rotswand. In het gidsgebied is hij een vogel van de Levant: de bergen van Libanon, West-Syrië, het noorden van Israël en Koerdistan in Noord-Irak. Luidruchtig en daardoor vaak eerder gehoord dan gezien.

Rotsklever (Sitta neumayer)
Foto: David F. Belmonte — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Uitzonderlijk luid voor zijn formaat; in een kloof kaatst het geluid tussen de wanden. De roep is een scherp, hard tsjik, bij opwinding in snelle reeksen. De zang is een helder, doordringend, versnellend trillertje, twie-twie-twie-twie, dat aan het eind bijna in een ratel overgaat en over honderden meters te horen is.

Luister: ZangXC1134707

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

13,5–15 cm, iets groter dan de boomklever en bleker. Bovendelen effen lichtgrijs, onderdelen wit op keel en borst, naar buik en onderstaartdekveren toe warm roomkleurig tot roestbeige. Een zwarte oogstreep loopt van de snavel tot op de halszijde; er is geen witte wenkbrauw erboven. De staart is effen grijs, zonder witte vlekken. Snavel lang en krachtig. Beweegt schokkerig over rotsblokken, vaak met de staart iets omhoog.

Verwarrings­soorten

De grote rotsboomklever (Sitta tephronota), in het gidsgebied alleen in Noord-Irak, is groter, met een zwaardere snavel en een bredere, verder doorlopende oogstreep; waar beide samen voorkomen is de rotsklever juist kleiner met een smallere oogstreep, zodat grootte, snavel en oogstreep samen beslissen. De boomklever (Sitta europaea) is donkerder blauwgrijs, heeft roestbruine flanken en witte vlekken in de staart en leeft in bomen. De rotskruiper (Tichodroma muraria) leeft ook op rotswanden, maar is grijs met karmijnrode vleugelvelden, heeft een lange gebogen snavel en fladdert als een vlinder.

Leefgebied

Rotsige hellingen, kalkwanden, kloven en puinhellingen met verspreide struiken, van het middengebergte tot hoog in het gebergte (op de Hermon tot ruim 2000 m); ook ruïnes, oude stenen muren en terrassen. Zoekt insecten, spinnen en slakken in rotsspleten en eet ’s winters ook zaden. Het nest is een flesvormige constructie van modder met een buisvormige ingang, tegen een overhangende rotswand.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied alleen in het noordoosten: in de bergen van Libanon (Libanon- en Anti-Libanongebergte), in West- en Noord-Syrië, op de Hermon, de Golanhoogte en in Opper-Galilea in het noorden van Israël, en in Koerdistan in Noord-Irak, waar hij het gebied deelt met de grote rotsboomklever. De Levantijnse vogels worden wel als vorm syriaca onderscheiden. Naar het zuiden wordt de soort snel schaarser; uit Jordanië zijn hooguit enkele meldingen uit het noordwestelijk hoogland bekend. Daarbuiten broedt hij van Kroatië door de Balkan, Griekenland en Turkije tot West-Iran.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op de Hermon en in de Golan zijn rotsklevers in voorjaar en zomer goed te vinden langs de wegen met rotshellingen en oude stenen muren; in Libanon in de kloven van het Libanongebergte, bijvoorbeeld rond de cederbossen. Volg het luide trillertje, en zoek de wand af naar het modderen flessennest.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In het gidsgebied plaatselijk vrij algemeen, maar met een klein verspreidingsgebied; in Israël staat de soort als Gevoelig op de nationale Rode Lijst, met een dalende dichtheid sinds 1990. Weinig specifieke bedreigingen, al kunnen steengroeven, bebouwing van berghellingen en verstoring plaatselijk nestplaatsen kosten.

Wetenschappelijke naam

Sitta neumayer | Michahelles, 1830

Michahelles beschreef de soort in 1830 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Sitta werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Sitta is de Oudgriekse naam sittē voor de boomklever. neumayer eert Franz Neumayer (1791–1842), een Oostenrijks natuuronderzoeker en handelaar in naturalia die in Ragusa, het tegenwoordige Dubrovnik, woonde en in de oorspronkelijke beschrijving een werkzaam natuuronderzoeker aldaar wordt genoemd. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Dubrovnik in Kroatië.