Alle soorten › Zangvogels › Mussen › Ringmus
Ringmus | Passer montanus
Eurasian Tree Sparrow | Gorrión molinero
De ringmus is een kleine, bonte mus met een kastanjebruine kruin en een zwarte wangvlek, die in het gidsgebied vooral in Mesopotamië en het noorden van de Levant thuis is. In Noord-Afrika en het grootste deel van Arabië is hij een zeldzaamheid.
Geluid
Droger en hoger dan bij de huismus. De vluchtroep is een hard, houterig tek tek; verder een helder tswit en een kort tsjip. De zang is een ongelijkmatige reeks tsjilpjes.
Opname: Thierry THOMAS — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
12,5–14 cm. Kleiner en compacter dan de Huismus. De hele kruin en nek zijn warm kastanjebruin; op de witte wang staat een ronde, scherp begrensde zwarte vlek, en de zwarte keelvlek is klein en netjes. Een smalle witte halsband scheidt wang en nek. Rug roodbruin met zwarte strepen, twee smalle witte vleugelstreepjes, onderdelen vaal grijsbruin. Snavel zwart, in de winter met een gele basis. Geslachten gelijk; jonge vogels doffer met een grijzige wangvlek.
Verwarringssoorten
Het mannetje van de Huismus (Passer domesticus) heeft een grijze kruin, een egale wang zonder vlek en een grotere bef; het vrouwtje heeft geen koptekening. Het mannetje van de Spaanse mus (Passer hispaniolensis) heeft ook een kastanjebruine kruin, maar een witte wang zonder zwarte vlek, een grote zwarte bef en zwart gestreepte flanken. Omdat bij de ringmus beide geslachten gelijk zijn, wijst een groep identieke vogels met wangvlek al op deze soort.
Leefgebied
Boomgaarden, palmgaarden en akkers met bomen en heggen, oeverbossen, dorpsranden en de buitenwijken van steden. Broedt in boomholten, muurgaten en oude gebouwen, ook in de onderkant van nesten van ooievaars en roofvogels. Buiten de broedtijd in groepen op stoppelvelden, vaak met andere mussen en vinken.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Jaarvogel in Irak, vooral in het noorden en in Mesopotamië, en in Noord- en Oost-Syrië langs de Eufraat; schaars in Libanon. In Israël en Jordanië een schaarse wintergast die incidenteel heeft gebroed. In de Golf zijn kleine, waarschijnlijk met schepen aangevoerde populaties ontstaan rond havens en steden, onder meer in Koeweit, Bahrein en Oost-Saudi-Arabië; elders in Arabië dwaalgast. In Noord-Afrika (Marokko, Algerije, Tunesië, Libië, Egypte) een zeldzame dwaalgast, deels waarschijnlijk met schepen meegekomen. Daarbuiten van West-Europa en Turkije door heel Azië tot Japan en Zuidoost-Azië; elders ingevoerd.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In Irak in boomgaarden en dorpen bij Mosul of Erbil; let in een groep mussen op het droge tek tek in de vlucht en op de zwarte wangvlek. In de Golfstaten loont het de mussen rond havens en parken na te lopen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In West-Europa sterk achteruitgegaan door de intensivering van de landbouw; de trend in het Midden-Oosten is slecht bekend. De kleine populaties in de Golf zijn waarschijnlijk recent en mogelijk door de mens geholpen.
Wetenschappelijke naam
Passer montanus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fringilla montana; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Passer werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Passer is het Latijnse woord voor 'mus'. montanus is Latijn voor 'van de bergen', van mons 'berg', al is de ringmus geen bergvogel maar een vogel van open cultuurland. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Bagnacavallo in Italië.


