Alle soorten › Zangvogels › Rietzangers › Oostelijke vale spotvogel

Oostelijke vale spotvogel | Iduna pallida

Eastern Olivaceous Warbler | Zarcero pálido oriental

De Oostelijke vale spotvogel is de algemeenste spotvogel van het gidsgebied: een kleurloze, grijsbruine zanger die voortdurend met de staart tikt en zijn schurende gebabbel laat horen uit tamarisken, palmtuinen en struiken langs water. Hij broedt van de oases van de noordelijke Sahara via de Nijlvallei tot de Levant, Irak en Arabië, en trekt in groten getale door Egypte en Arabië.

Oostelijke vale spotvogel (Iduna pallida)
Foto: Иван Везенковић — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een snel, nasaal en schurend gebabbel met een huppelende, steeds herhaalde cadans, zonder heldere fluittonen en zonder imitaties, minutenlang volgehouden vanuit een boom of struik; sneller en schriller dan bij de Westelijke vale spotvogel. De roep is een hard tsjek of tsjrek, bij onrust versneld tot een ratel. In de broedtijd zingt hij de hele dag, ook in de hitte.

Luister: ZangXC1178080

Opname: András Schmidt — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12–13,5 cm. Klein en effen: grijsbruin boven, vuilwit onder, zonder geel, zonder streping en met hooguit een vage lichte wenkbrauwstreep vóór het oog. De snavel is voor de grootte lang en breed, met een oranje ondersnavel; het vlakke voorhoofd maakt de kop spits. De handpenprojectie is kort, de staart recht afgesneden en even bruin als de rug, met smalle vuilwitte zomen aan de buitenste pennen. Poten grijs. Beslissend is het gedrag: bij vrijwel elke beweging schiet de staart met een korte ruk omlaag. De vormen verschillen weinig: elaeica in de Levant, Irak en Arabië is grijzer en iets groter, de nominaat pallida in Egypte en reiseri in de Saharaoases zijn kleiner en bleker zandkleurig. Geslachten gelijk.

Verwarrings­soorten

De Westelijke vale spotvogel (Iduna opaca) is groter, langer en breder van snavel en bruiner, met een tragere zang; hij broedt in de Maghreb ten noorden van het broedgebied van reiseri, zodat de plaats meestal beslist, maar op de trek in Marokko en Algerije is voorzichtigheid geboden. Sykes' spotvogel (Iduna rama) is kleiner en kortsnaveliger, met een langere, afgeronde staart en hetzelfde staartpompen. De grote vale spotvogel (Hippolais languida) is groter, met een grijze kop en een donkere, wit omzoomde staart die hij traag rondzwaait. De kleine karekiet (Acrocephalus scirpaceus) is warmer bruin met een afgeronde staart en tikt niet.

Leefgebied

Tamariskstruweel en oeverbos langs rivieren, kanalen en wadi's, dadelpalmtuinen en boomgaarden in oases, irrigatielandbouw met hagen, parken en tuinen in dorpen en steden, en rietranden met struiken; in de Levant ook in olijfgaarden en struweel op hellingen. Op de trek overal waar struiken staan, ook in de woestijn.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In Noord-Afrika de vorm reiseri in de oases van de noordelijke Sahara, van Zuidoost-Marokko (Tafilalt, Drâa) door de Algerijnse Sahara tot Zuid-Tunesië en het binnenland van Libië, en de nominaat pallida in Egypte, algemeen in de Nijlvallei en de delta, de Fajoem en de oases van de Westelijke Woestijn; Egyptische vogels zijn deels standvogel. Van de Sinaï door Israël, Jordanië, Libanon en Syrië tot Irak de vorm elaeica, een algemene zomergast; in Saoedi-Arabië een broedvogel in wisselende aantallen en plaatselijk ook langs de Golf. Op de trek, april – mei en augustus – oktober, talrijk door Egypte, de Levant en heel Arabië tot Jemen en Oman. Daarbuiten broedt de soort in Zuidoost-Europa, Turkije, Iran en Centraal-Azië, en ten zuiden van de Sahara in de Sahel (laeneni) en Somalië (alulensis); de trekkende vormen overwinteren in Afrika ten zuiden van de Sahara, vooral van Soedan tot Oost-Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de palmtuinen van Merzouga en in de oases van de Drâa, in de tuinen langs de Nijl bij Luxor en Aswan of in de tamarisken van de Jordaanvallei is hij in de broedtijd niet te missen: luister naar het schurende gebabbel en wacht op het tikkende staartje. In Arabië is hij in april en september in vrijwel elk park of elke tuin te vinden.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in het gidsgebied wijdverbreid en plaatselijk talrijk. De soort profiteert van irrigatie, aanplant en tuinen, maar verliest plaatselijk oeverbegroeiing en oude palmtuinen; in de Saharaoases spelen droogte en verwaarlozing van de tuinen een rol. De indeling in ondersoorten, met name de plaats van reiseri, is nog onderwerp van studie.

Wetenschappelijke naam

Iduna pallida | (Hemprich & Ehrenberg, 1833)

Hemprich & Ehrenberg beschreef de soort in 1833 als Curruca pallida; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Iduna werd in 1840 ingevoerd door Keyserling & Blasius. Iduna wordt gewoonlijk in verband gebracht met Iðunn, in de Noorse mythologie de godin die de appels van de eeuwige jeugd bewaakte; de naamgevers lichtten de naam niet toe en er zijn ook andere afleidingen voorgesteld. pallida is Latijn voor 'bleek'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Nijl in Egypte en Nubië.