Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Olijfduif

Olijfduif | Columba arquatrix

African Olive Pigeon | Paloma ojigualda

Een grote, donkere bosduif van de Afrikaanse bergbossen, die in het gidsgebied alleen in de jeneverbesbossen en wadi's van het hoogland van Asir en Noord-Jemen voorkomt. Pas halverwege de jaren tachtig voor het eerst in Saoedi-Arabië vastgesteld, en nog steeds een van de minst bekende duiven van Arabië.

Olijfduif (Columba arquatrix)
Foto: mattf1996 — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een diep, hees en grommend koeren, krroo… krroo-krroo-krroo, dat versnelt en wegsterft; weinig opvallend en makkelijk gemist. Bij het opvliegen klappen de vleugels luid.

Luister: ZangXC266076

Opname: Andrew Spencer — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Fors en donker, met een grijze kruin en een grijs gezicht. Hals, mantel en onderdelen zijn donker wijnrood tot purperkastanje, op borst, buik en vleugeldekveren dicht bezet met kleine witte stippen. Snavel, naakte oogring en poten zijn helder geel en lichten op tegen het donkere verenkleed. De staart is donker leigrijs. Het vrouwtje is iets doffer; jonge vogels zijn bruiner, met minder stippen en een doffere snavel. Vliegt snel en recht met krachtige slagen, vaak hoog boven een vallei van de ene boomgroep naar de andere.

Verwarrings­soorten

De rotsduif (Columba livia) is lichter blauwgrijs, met zwarte vleugelstrepen, een witte stuit en een donkere snavel, en leeft op rotsen in plaats van in bomen. De rouwtortel (Streptopelia lugens), in hetzelfde hoogland, is veel kleiner en langstaartiger, met een zwarte halsvlek en roestgerande vleugeldekveren, zonder gele snavel en poten.

Leefgebied

Jeneverbesbossen en beboste hellingen van het hoogland, vooral in steile valleien en op de rand van de escarpementen, tussen ongeveer 1800 en 3000 m. Zoekt vruchten in jeneverbessen, wilde vijgen en olijven, en komt ook in terrasboomgaarden en bij dorpen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied alleen in het zuidwesten van het Arabisch Schiereiland. Saoedi-Arabië: schaars en lokaal in het hoogland van Asir, onder meer op de Raydah-escarpement en bij Jebel Souda bij Abha, waar hij halverwege de jaren tachtig voor het eerst werd gezien. Jemen: in het noordelijke hoogland, aansluitend op de Saoedische populatie; over de aantallen is weinig bekend. Waarschijnlijk standvogel, maar uit de winter zijn nauwelijks waarnemingen. Daarbuiten in de bergbossen van Ethiopië en Oost-Afrika tot Zuid-Afrika en Angola.

  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek hem vroeg in de ochtend op de Raydah-escarpement bij Abha, waar vogels vanuit de jeneverbesbossen langs de rand vliegen en in vruchtdragende bomen landen. Let op het geklapper van opvliegende vogels en op de gele snavel in het tegenlicht.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In Arabië een kleine, geïsoleerde populatie die afhankelijk is van de jeneverbesbossen van het hoogland; die lijden onder sterfte door droogte, kap en overbegrazing. Status en aantallen zijn slecht bekend, en de soort wordt in de literatuur verschillend als standvogel of als zeldzame gast opgevat.

Wetenschappelijke naam

Columba arquatrix | Temminck, 1808

Temminck beschreef de soort in 1808 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Columba werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Columba is Latijn voor 'duif' en gaat terug op het Griekse kolumbos 'duiker', bij kolumbaō 'duiken, zwemmen'; de klassieke schrijvers noemden de rotsduif zo naar de zwemmende slag van de vleugels in de vlucht. arquatrix is nieuw-Latijn voor 'vrouwelijke geelzuchtlijder', van arquatus, 'geelzuchtig' (de huid kleurt dan geel als in de regenboog; arcus, 'regenboog'); de naam gaat terug op Levaillants 'Rameron'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Knysna, Zuid-Afrika.