Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Middelste zaagbek
Middelste zaagbek | Mergus serrator
Red-Breasted Merganser | Serreta mediana
De middelste zaagbek is een slanke viseend met een dunne, rode, getande snavel en een rafelige dubbele kuif. In het gidsgebied is hij een wintergast van ondiepe kustwateren, het meest langs de Middellandse Zee van Tunesië tot de Levant.
Geluid
Buiten de broedtijd vrijwel stil. In de balts, aan het eind van de winter, geeft het mannetje een zacht, katachtig djie-uw, het vrouwtje een rauw krrok-krrok.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 55 cm, langgerekt en laag op het water, met een lange, dunne, rode snavel met een haakje aan de punt. Het mannetje heeft een groenzwarte kop met een rommelige kuif, een witte halsband, een roodbruine, donker gevlekte borst, zwart-witte schouders en fijn grijs gestreepte flanken. Het vrouwtje en jonge vogels zijn grijs met een roestbruine kop en kuif, die zonder scherpe grens overgaat in de lichte keel en hals. In vlucht snel en recht, met een witte vleugelspiegel die bij het mannetje door twee zwarte strepen wordt doorsneden.
Verwarringssoorten
De grote zaagbek (Mergus merganser) is in het gebied zeer zeldzaam; hij is groter en zwaarder, het vrouwtje met een scherpe grens tussen de roodbruine hals en de witte borst en een afgezette witte kin, het mannetje met een witte, zalmroze getinte borst en flanken. Een fuut (Podiceps cristatus) in winterkleed lijkt op afstand op een vrouwtje zaagbek, maar heeft een witter gezicht, een roze snavel en een slankere, rechtopstaande hals.
Leefgebied
Ondiepe zoute en brakke wateren: baaien, havens, lagunes, estuaria en zeegaten, meestal dicht onder de kust. Duikt in kleine groepen naar kleine vissen, vaak in samenwerking, en zwemt daarbij met de kop onder water om te speuren.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Wintergast langs de Middellandse Zeekust van Tunesië, vooral in de Golf van Gabès en de lagunes van Bizerte, en verder van Libië, Egypte (vooral het Bardawilmeer en de lagunes van de Delta), Israël, Libanon en Syrië; schaars langs de Middellandse Zee- en Atlantische kust van Marokko en in Algerije. In de Perzische Golf een schaarse wintergast in Koeweit, Bahrein, Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten, en dwaalgast in Oman en aan de Rode Zee. Daarbuiten broedvogel van IJsland en de Britse Eilanden tot Siberië en Noord-Amerika, met overwintering langs de kusten van Europa, Oost-Azië en Noord-Amerika.
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Kijk in de winter vanaf havenhoofden en dijken langs de Tunesische kust of het Bardawilmeer naar kleine groepen die achter elkaar duiken. De vogels zijn schuw; een telescoop en een windstille dag helpen veel.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en in grote delen van het areaal stabiel. Gevoelig voor bijvangst in staande netten, olievervuiling en verstoring in lagunes en havens.
Wetenschappelijke naam
Mergus serrator | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Mergus voerde hij in datzelfde werk in. Mergus is het Latijnse woord voor een niet nader bepaalde watervogel die Plinius de Oudere en andere schrijvers noemen; men heeft er wel een aalscholver of een pijlstormvogel in gezien. serrator is Latijn voor 'zager', van serra 'zaag', naar de zaagtandjes langs de snavel waarmee de vogel glibberige vissen vasthoudt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.

