Alle soorten › Koekoeksvogels › Koekoeken › Kuifkoekoek

Kuifkoekoek | Clamator glandarius

Great Spotted Cuckoo | Críalo europeo

Een grote, slanke koekoek met een zilvergrijze kuif, witgevlekte rug en lange staart, die als een van de eerste zomergasten al in januari en februari in Noord-Afrika en de Levant terugkeert. Hij is een broedparasiet van eksters en kraaien en jaagt in luidruchtige achtervolgingen door olijfgaarden en open bos.

Kuifkoekoek (Clamator glandarius)
Foto: Derek Keats — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, ver dragend geratel, kitte-kitte-kitte-kèh, dat aan een ekster met haast doet denken, plus een schor, opgetrokken krièèh. Baltsende paren en groepjes roepen de hele ochtend, ook vanaf palen en draden, vooral in de eerste weken na aankomst.

Luister: ZangXC1155890

Opname: Walter Wallner — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Groot en slank, met een lange, getrapte staart en een grijze kuif die vaak half opgezet staat. De bovendelen zijn donker grijsbruin met dichte witte druppelvlekken; keel en borst zijn crème tot geelachtig, de buik is wit. De staartpennen dragen witte toppen; om het oog ligt een rode tot oranje oogring. Juveniele vogels hebben een zwarte kruin zonder kuif en helder roestrode handpennen, in vlucht een fel signaal. Vliegt recht en snel met diepe slagen, bijna als een kleine valk of een ekster.

Verwarrings­soorten

De koekoek (Cuculus canorus) is kleiner, effen leigrijs zonder kuif of witte vlekken en heeft dwarsgestreepte onderdelen. De jacobijnkoekoek (Clamator jacobinus) is zwart en wit, met een zwarte kuif, een witte vleugelvlek en een ongevlekte rug; hij komt vooral in het zuidwesten van Arabië voor. Op afstand kan een vliegende kuifkoekoek op een ekster (Pica pica) of maghrebekster (Pica mauritanica) lijken, maar de bleke, ongestreepte onderkant verraadt hem.

Leefgebied

Open landschap met verspreide bomen: olijf-, amandel- en citrusgaarden, open eiken- en pijnbos, garrigue met struiken, boomrijke akkerranden en parken, steeds waar eksters of kraaien broeden. Op trek ook in oases, palmtuinen en wadi's met acacia's. Eet vooral harige rupsen, die andere vogels mijden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedvogel in Marokko (vooral de Atlantische vlakten, het Rifgebied en de Middenatlas), het noorden van Algerije en Tunesië, het noordoosten van Libië (Cyrenaica), de Nijldelta in Egypte, Israël, de Westelijke Jordaanoever (Samaria en Judea), Jordanië, Libanon, Syrië en Irak. In Egypte en de Levant legt hij vooral bij de bonte kraai (Corvus cornix), in de Maghreb bij de maghrebekster. Op trek schaars over de Sahara, in Saoedi-Arabië, Koeweit en de Golfstaten; in Jemen en Oman een zeldzame doortrekker. Daarbuiten broedt hij in Zuidwest-Europa en Turkije en in delen van Afrika ten zuiden van de Sahara; overwintert vooral in de Sahel en Oost-Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In februari en maart zijn de baltsende groepjes het makkelijkst: kijk in de Jordaanvallei, rond Beth Shean en in de olijfgaarden van Galilea, of in Marokko in de kurkeikenbossen rond Rabat en de Maamora. Volg ratelende vogels en ruziënde eksters of kraaien: waar de gastheren alarmeren, zit de kuifkoekoek vaak dichtbij.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in grote delen van het gebied algemeen. Hij is gevoelig voor het gebruik van insecticiden in boomgaarden, waardoor rupsen verdwijnen, en voor jacht en vangst op trek; tegelijk volgt hij de gastheren, waardoor hij in sommige delen van de Levant en Egypte vooruitgaat.

Wetenschappelijke naam

Clamator glandarius | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Cuculus glandarius; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Clamator werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Clamator is Latijn voor 'schreeuwer', van clamare 'roepen'. glandarius is Latijn voor 'van eikels', dezelfde naam die de gaai draagt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Gibraltar.