Alle soorten › Zangvogels › Sprinkhaanzangers › Krekelzanger

Krekelzanger | Locustella fluviatilis

River Warbler | Buscarla fluvial

De krekelzanger is een schuwe, egaal bruine sprinkhaanzanger van Oost-Europa die op weg naar en van zuidoostelijk Afrika door het oosten van het gidsgebied trekt. Hij wordt vooral in het late voorjaar opgemerkt, als een zingend mannetje in een oase of een tuin even zijn trage, klakkende ratel laat horen.

Krekelzanger (Locustella fluviatilis)
Foto: Сергей Неклюдов — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een trage, harde, gelede ratel op één lage toon: zre-zre-zre-zre of dzje-dzje-dzje, ongeveer vijf tot acht slagen per seconde, langzaam genoeg om mee te tellen; het klinkt als een oude naaimachine of een stoomlocomotief. De snor ratelt sneller en voller, de sprinkhaanzanger hoger en zo snel dat er niets te tellen valt. Doortrekkers zingen in het voorjaar geregeld, ook overdag. Roep: een hard tsjik.

Luister: ZangXC1137778

Opname: Abe Bakker — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

14–16 cm. Een vrij grote, stevige zanger, egaal olijf- tot koffiebruin boven zonder enige streping. Kenmerkend is de borst: kin, keel en bovenborst dragen diffuse grijsbruine streepjes en vlekjes op een vuilwitte ondergrond, die naar de flanken vervagen. De onderstaartdekveren zijn lang, donkerbruin met brede, vuilwitte punten, zodat ze geschubd lijken. De staart is lang, breed en afgerond, de wenkbrauwstreep smal en vaag, de poten vleeskleurig. De handpenprojectie is lang. Loopt muisachtig over de grond onder dicht struikgewas.

Verwarrings­soorten

De snor (Locustella luscinioides) is warmer roodbruin, heeft een ongevlekte of hooguit zwak gevlekte borst en minder contrastrijke punten aan de onderstaartdekveren; de oostelijke vorm fusca, die hier doortrekt, is echter grijzer olijfbruin en lijkt meer op de krekelzanger, dus let op de borstvlekking en de brede witte punten onder de staart. De sprinkhaanzanger (Locustella naevia) is kleiner, met gestreepte bovendelen en een ongevlekte borst. Kleine karekiet (Acrocephalus scirpaceus) en struikrietzanger (Acrocephalus dumetorum) missen de borstvlekken en de lange, geschubde onderstaartdekveren.

Leefgebied

In de broedtijd vochtige, dichte ondergroei in ooibos, langs bosranden en in ruigten bij rivieren. Op de trek in het gidsgebied in dicht struikgewas en ondergroei: oases, dadelpalmtuinen, parken, boomgaarden, rietkragen met struiken en de begroeiing van wadi's. Eet insecten, spinnen en slakjes, die hij op of vlak boven de grond zoekt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Doortrekker in het oosten van het gebied, op de route tussen Oost-Europa en zuidoostelijk Afrika. In Israël een schaarse maar regelmatige doortrekker, het talrijkst van eind april tot eind mei in de Arava en bij Eilat, schaarser in de herfst; ook in Jordanië, Libanon, Syrië en de Sinaï. In Egypte schaars. In Irak, Koeweit, het oosten van Saoedi-Arabië, Bahrein, Qatar, de Verenigde Arabische Emiraten en Oman een schaarse doortrekker, vaker gehoord dan gezien; zeldzaam in het westen van Saoedi-Arabië en Jemen. In Marokko en Tunesië een dwaalgast. Broedt van Midden-Europa en de Balkan oostwaarts tot West-Siberië en overwintert in zuidoostelijk Afrika, van Kenia en Tanzania tot Zambia en Mozambique.

  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De beste kans is in mei in Eilat of de kibboetsen van de Arava: luister in de vroege ochtend en avond naar de trage, telbare ratel uit een dichte struik of een rietrand. Op ringstations in Israël en de Golfstaten wordt hij vaker gevangen dan gezien.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. De broedpopulatie is groot en de westgrens van het areaal schuift op. Op de trek is hij afhankelijk van de oases en groene pleisterplaatsen in de woestijn.

Wetenschappelijke naam

Locustella fluviatilis | (Wolf, 1810)

Wolf beschreef de soort in 1810 als Sylvia fluviatilis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Locustella werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Locustella is Latijn, een verkleinwoord van locusta 'sprinkhaan'. fluviatilis is Latijn voor 'van de rivier', van fluvius 'rivier', naar de vochtige oeverbossen waar de soort broedt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Donau in Oostenrijk.