Alle soorten › Steltloperachtigen › Kluten › Kluut

Kluut | Recurvirostra avosetta

Pied Avocet | Avoceta común

Een slanke zwart-witte steltloper met een dunne, sterk opgewipte snavel, die in het gidsgebied vooral thuis is op zoutpannen, sebkha's en ondiepe lagunes. Hij broedt verspreid van Marokko tot Irak en overwintert in grote groepen langs de Middellandse Zee, de Atlantische kust van Marokko en de Perzische Golf.

Kluut (Recurvirostra avosetta)
Foto: Luiz Lapa from Oeiras, Portugal — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een helder, fluitend kluut of pluut, vaak herhaald; bij verstoring van het nest een schel, aanhoudend kluut-kluut-kluut boven de indringer.

Luister: VluchtroepXC861501

Opname: Dan — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Groot en slank, wit met een zwarte kap en achterhals, zwarte schouderstrepen en zwarte vleugelpunten, waardoor hij in rust en in vlucht een helder zwart-wit patroon toont. De zwarte snavel is lang, dun en duidelijk omhooggebogen; de lange poten zijn blauwgrijs. Jonge vogels hebben de zwarte delen bruinig en de witte delen wat vuil gevlekt. In vlucht steken de poten ver achter de staart uit; de vleugels zijn wit met drie zwarte banen.

Verwarrings­soorten

Met zijn opgewipte snavel en zwart-witte tekening is hij nauwelijks te verwarren. De steltkluut (Himantopus himantopus) heeft geheel zwarte vleugels, een rechte snavel en roze poten. De krabplevier (Dromas ardeola) van de Arabische kusten is ook zwart-wit, maar heeft een zware rechte snavel en een wit hoofd. Op afstand kan een rustende groep op een groep meeuwen lijken, tot de vogels gaan foerageren.

Leefgebied

Zoutpannen, sebkha's en zoutmeren met ondiep, zilt water en zachte modder, kustlagunes en getijdenvlakten; minder op zoet water. Foerageert door de snavel zijwaarts door de bovenste waterlaag te maaien, vaak waadend tot aan de buik of zwemmend. Broedt in kolonies op kale eilandjes en dijkjes in zoutpannen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt verspreid in Noord-Afrika: op de zoutmeren en sebkha's van Marokko (onder meer bij Larache en Sidi Moussa), Noord-Algerije en Tunesië (chotts, Sfax en de golf van Gabès), plaatselijk aan de Libische kust en in Egypte op de deltameren en bij Port Said. In het oosten broedt hij in Israël (zoutpannen van Atlit en Eilat), Syrië en Zuid-Irak, en in kleine aantallen aan de Golfkust van Koeweit, Saoedi-Arabië en de Emiraten. In de winter talrijker: grote groepen aan de Atlantische kust van Marokko (tot Khnifiss in het zuiden), in de Tunesische zoutpannen en op de Egyptische deltameren, en langs de Perzische Golf van Koeweit tot Oman. Schaars op de Rode Zeekust en in Jemen. Daarbuiten broedt hij van West-Europa tot Centraal-Azië en Mongolië en overwintert in Afrika, Zuid-Azië en Oost-China.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De Tunesische zoutpannen bij Sfax en de lagunes bij Port Said en El Malaha in Egypte houden 's winters honderden tot duizenden vogels. In Eilat foerageren ze vrijwel het hele jaar op de zoutpannen ten noorden van de stad, van dichtbij te zien vanaf de dijken. In de Golf zijn de zoutvlakten van Al Jahra (Koeweit) en de lagunes van Abu Dhabi goede plekken.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in Europa na beschermingsmaatregelen toegenomen. In het gidsgebied is hij afhankelijk van een beperkt aantal zoutpannen en lagunes, die bedreigd worden door kustontwikkeling, drooglegging, vervuiling en verstoring van broedkolonies; het verdwijnen van traditionele zoutwinning kost op sommige plaatsen broedgebied.

Wetenschappelijke naam

Recurvirostra avosetta | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Recurvirostra voerde hij in datzelfde werk in. Recurvirostra is Latijn, van recurvus 'naar boven gebogen' en rostrum 'snavel', naar de opgewipte snavel. avosetta komt van avosetta, de Venetiaanse naam voor de kluut; de verdere herkomst van het woord is onzeker. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Italië.