Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Kleinst waterhoen

Kleinst waterhoen | Zapornia pusilla

Baillon's Crake | Polluela chica

Het kleinste en meest verborgen ralletje van het gebied, nauwelijks groter dan een mus en zelden langer dan een paar seconden in beeld. Het broedt hier en daar in de grote moerassen van de Maghreb, de Nijldelta en Zuid-Irak, maar wordt veel vaker gehoord dan gezien.

Kleinst waterhoen (Zapornia pusilla)
Foto: Ed Dunens — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje zingt een droge, kikkerachtige ratel, trrrr-trrrr, van twee tot drie seconden, steeds even snel en op dezelfde toonhoogte, als het afrollen van een nagel over een kam. Vooral in de schemering en 's nachts van maart tot juni. Anders dan bij het klein waterhoen versnelt of daalt de zang niet.

Luister: ZangXC1185102

Opname: Sébastien Reeber — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Klein en gedrongen, met een korte staart, korte vleugels die nauwelijks voorbij de tertials reiken en vleeskleurige tot groengrijze poten. Volwassen vogels zijn leiblauw op gezicht en onderdelen, met een warmbruine, zwart gestreepte rug vol onregelmatige witte vlekjes en streepjes, en brede, scherpe zwart-witte bandering op flanken, buik en onderstaart. De snavel is kort en geheel groen, zonder rode vlek. Mannetje en vrouwtje zijn bijna gelijk; het vrouwtje heeft een wat bruiner gezicht. Jonge vogels zijn bruinig met een lichte keel en gebandeerde flanken.

Verwarrings­soorten

Het klein waterhoen (Zapornia parva) is slanker, met een langere staart, ver uitstekende handpennen, groene poten, een rode snavelbasis en veel minder wit op rug en flanken. Het porseleinhoen (Porzana porzana) is groter, overal wit gestippeld en heeft een okergele onderstaart. Een rennend jong van een waterhoen (Gallinula chloropus) is zwart met een lichte snavel en mist de witte rugtekening.

Leefgebied

Ondiep, dicht begroeid moeras met zegge, biezen, laag riet en drijvende vegetatie; vaak in natte zones met wisselend peil, langs de randen van meren, in rijstvelden en ondergelopen weiden. Op trek ook in kleine rietveldjes bij oases, waterzuiveringen en irrigatiekanalen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In de Maghreb een schaarse en plaatselijke broedvogel, met broedgevallen in de wetlands van Noordwest-Marokko (zoals de Loukkos en Merja Zerga), Noordoost-Algerije en Tunesië, en daarnaast doortrekker en wintergast. Egypte: plaatselijk in de Nijldelta en de Faiyum, waar ook broedgevallen bekend zijn, en schaars op trek. In de moerassen van Zuid-Irak waarschijnlijk broedvogel. In de Levant, het oosten van Arabië en Jemen een schaarse doortrekker, minder vaak gezien dan het klein waterhoen; in de Emiraten en Oman in de herfst en winter enkele per jaar. Verder brokkelig verspreid van West- en Zuid-Europa tot Oost-Azië, en jaarrond in Afrika ten zuiden van de Sahara, op Madagaskar en in Australazië.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Luister in een windstille nacht in april of mei aan de rand van een ondiep moeras in Noordwest-Marokko of de Nijldelta naar de droge ratel. Overdag is de beste kans aan de rand van een rietveldje met open slik bij zonsopgang, of op trek in de waterzuiveringen van de Golfstaten, waar vogels soms even onder de vegetatie vandaan komen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, maar in het gebied kwetsbaar door de afname van ondiepe, natuurlijke moerassen: drooglegging, peilbeheer en het verdwijnen van overstromingsvlakten zijn de grootste bedreigingen. Door de verborgen levenswijze is de werkelijke omvang van de broedpopulatie in Noord-Afrika en Irak slecht bekend.

Wetenschappelijke naam

Zapornia pusilla | (Pallas, 1776) (GBIF: Porzana pusilla)

Pallas beschreef de soort in 1776 als Rallus pusillus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Zapornia werd in 1816 ingevoerd door Leach. Zapornia is een bijna-anagram van Porzana, de geslachtsnaam van de Franse ornitholoog Louis-Pierre Vieillot. pusilla is Latijn voor 'heel klein'; dit is de kleinste ral van Europa. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Transbaikalië in Siberië.