Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Kaneelpieper

Kaneelpieper | Anthus cinnamomeus

African Pipit | Bisbita africano

De kaneelpieper is een Afrikaanse graslandpieper met een kleine, geïsoleerde populatie in de hooglanden van Jemen en het zuidwesten van Saoedi-Arabië, de vorm eximius. Het is een van de minst bekende vogels van het Arabisch Schiereiland.

Kaneelpieper (Anthus cinnamomeus)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een kort tsjip of tsjisip. In de baltsvlucht klinkt een herhaald, eentonig tsjrie-tsjrie-tsjrie, terwijl de vogel golvend boven het grasland vliegt en daarna steil neerdaalt.

Luister: VluchtroepXC938658

Opname: Dawie de Swardt — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

16–18 cm. Middelgroot en vrij rechtop, met lange, vleeskleurige poten en een middellange snavel met een gele ondersnavelbasis. Van boven warmbruin met duidelijke donkere strepen op kruin en mantel, van onderen warm geelbruin met een band korte, scherpe strepen over de borst. Een opvallende bleke wenkbrauwstreep, een donkere oogstreep en een duidelijke donkere baardstreep. De buitenste staartveren zijn wit of witachtig. De Arabische vorm eximius is kleiner en donkerder dan de meeste Afrikaanse vormen.

Verwarrings­soorten

De grote pieper (Anthus richardi), die als wintergast in Arabië voorkomt, lijkt sterk maar is groter, met een langere staart, nog langere poten en een zeer lange achternagel; in de broedtijd is de grote pieper uit Arabië verdwenen. De duinpieper (Anthus campestris) is bleker en vrijwel ongestreept van boven en onder. De langsnavelpieper (Anthus similis), die in dezelfde bergen leeft, is egaler, met een vage borststreping en geelbruine in plaats van witte staartranden. De boompieper (Anthus trivialis) is kleiner en korterpotig, met een fijnere snavel en zwaardere streping op de flanken.

Leefgebied

Open grasland, beweide hellingen en terrasakkers met kort gras in de hooglanden, vooral tussen ongeveer 1800 en 3000 m, vaak bij jeneverbesbos en dorpen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied alleen in de hooglanden van Jemen en in het Asirgebergte in het zuidwesten van Saoedi-Arabië, waar recente waarnemingen vooral komen uit de omgeving van Abha, Tanoumah en An Namas. Daarbuiten wijdverbreid in Afrika ten zuiden van de Sahara.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek de soort in het voorjaar in de Asir-hooglanden tussen Abha en An Namas, op kortgrazige hellingen en terrasakkers; let op het tsjisip en op zingende vogels in de baltsvlucht. In Jemen is de soort door de veiligheidssituatie nauwelijks onderzocht.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in Afrika algemeen. De Arabische vorm eximius is echter klein van verspreiding en slecht bekend: in Saoedi-Arabië waren er tussen de jaren 1990 en 2018 geen waarnemingen, daarna weer regelmatig in kleine aantallen. Omzetting van grasland in bebouwing en landbouw is een bedreiging.

Wetenschappelijke naam

Anthus cinnamomeus | Rüppell, 1840

Rüppell beschreef de soort in 1840 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Anthus werd in 1805 ingevoerd door Bechstein. Anthus is het Latijnse woord voor een klein vogeltje van graslanden dat Plinius de Oudere noemt. cinnamomeus is Latijn voor 'kaneelkleurig' — naar de warm bruine tint van het verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Simiengebergte, Ethiopië.