Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Gierzwaluwen › Huisgierzwaluw

Huisgierzwaluw | Apus affinis

Little Swift | Vencejo moro

De kleine, gedrongen gierzwaluw van steden, oases en kloven in het hele gidsgebied, herkenbaar aan de brede witte stuit. Hij broedt in kolonies van tientallen tot honderden paren onder dakranden, bruggen en rotsoverhangen, waar hij zijn nesten van veren en strootjes aan elkaar plakt.

Huisgierzwaluw (Apus affinis)
Foto: Derek Keats — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Bij de kolonie luidruchtig: een snel, schel ratelend trillertje, tirrr-tirrr-riririe, uitgestoten door groepjes die rond de nestplaats jagen. Hoger, droger en meer ratelend dan de gil van de gierzwaluw.

Luister: VluchtroepXC1149413

Opname: African Bioacoustics Community — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Klein en compact, met brede vleugelbasis, vrij stompe vleugelpunten en een recht afgeknotte staart zonder vork, die gespreid zelfs afgerond oogt. Het verenkleed is zwartbruin; de grote, vierkante witte stuit loopt ver op de flanken door en is ook van opzij te zien. Grote witte keelvlek die tot op het gezicht reikt. De vlucht is fladderender en draaiender dan die van de grote gierzwaluwen, met korte glijfases.

Verwarrings­soorten

De pijlstaartgierzwaluw (Apus caffer) is slanker, met een smalle witte sikkel die de flanken niet bereikt en een lange, diep gevorkte staart. De gierzwaluw (Apus apus) en de vale gierzwaluw (Apus pallidus) zijn veel groter en missen een witte stuit. De huiszwaluw (Delichon urbicum) heeft ook een witte stuit, maar een geheel witte onderzijde en een gevorkte staart. De Afrikaanse palmgierzwaluw (Cypsiurus parvus) is egaal grijsbruin en naaldslank.

Leefgebied

Steden en dorpen met hoge gebouwen, bruggen, moskeeën en forten, ook oases en dadelpalmtuinen; daarnaast kloven, kliffen en rotswanden in bergland en woestijn. Jaagt boven daken, dalen, irrigatieland en water, vaak laag en in groepjes.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Marokko: algemeen en wijdverbreid in steden als Rabat, Fès en Marrakesh, in de kloven van de Atlas en in de oases van het zuiden. Algerije en Tunesië: in steden en dorpen van het noorden en in de oases van de noordelijke Sahara. Libië: vooral langs de kust van Tripolitanië en Cyrenaica. Egypte: algemeen in de Nijlvallei en -delta, van Caïro tot Aswan, en in de Sinaï. In de Levant algemeen in Israël, Samaria en Judea, Jordanië, Libanon en Syrië, vooral in de Jordaanvallei en rond de Dode Zee. Irak: standvogel in de steden van Mesopotamië. Saoedi-Arabië en Jemen: wijdverbreid in de bergen van de Hejaz en de Asir, het hoogland en de kuststeden. Oman: algemeen in de Hajar, rond Muscat en in Dhofar. Verenigde Arabische Emiraten: broedvogel in het oosten, vooral in en rond Al Ain en de Hajar; in Koeweit, Qatar en Bahrein een schaarse gast. De noordelijke Maghrebvogels trekken deels weg in de winter. Daarbuiten van Zuid-Anatolië en Iran tot India en Zuidoost-Azië, en in vrijwel heel Afrika ten zuiden van de Sahara; sinds 2000 broedt hij ook in Zuid-Spanje.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Kijk in een oude medina of onder een brug in een kloof: de kolonies zijn vaak in het volle zicht onder een overhang. In het Egyptische Luxor en Aswan jagen ze het hele jaar laag boven de Nijl, en in Marokko zitten grote kolonies in de oude stadsmuren.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en algemeen; in het gidsgebied profiteert hij van gebouwen en bruggen, maar renovaties kunnen hele kolonies doen verdwijnen.

Wetenschappelijke naam

Apus affinis | (Gray, 1830)

Gray beschreef de soort in 1830 als Cypselus affinis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Apus werd in 1777 ingevoerd door Scopoli. Apus is Latijn voor 'gierzwaluw', van Grieks a- 'zonder' en pous 'voet': de ouden hielden de vogel voor een zwaluw zonder poten. affinis is Latijn voor 'verwant, gelijkend'; op welke soort de vogel zou lijken, blijkt niet uit de beschrijving. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Ganges in India.