Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Grutto
Grutto | Limosa limosa
Black-Tailed Godwit | Aguja colinegra
Een grote, slanke steltloper met lange poten en een lange, rechte snavel. Voor het gidsgebied is hij vooral een trekvogel: honderdduizenden West-Europese grutto's trekken in het voorjaar door Marokko, waar velen overwinteren op de rijstvelden en moerassen van de Gharb, en oostelijke vogels trekken door de Levant, Egypte en Irak.
Geluid
In vlucht een luid, nasaal wike-wike-wike of kiewiet; foeragerende groepen geven een zacht gekwetter. De bekende grutto-grutto-roep van de broedgebieden klinkt in het gidsgebied nauwelijks.
Opname: Jens Schöller — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
In winterkleed egaal grijsbruin van boven en lichtgrijs van onderen, met een korte lichte wenkbrauwstreep. In zomerkleed hals en borst oranjerood, de buik wit met zwarte bandering. De snavel is lang, vrijwel recht, roze aan de basis. In vlucht onmiskenbaar door de brede witte vleugelstreep, de witte stuit en de zwarte staartband; de lange poten steken ver achter de staart uit. Vogels van de IJslandse vorm islandica zijn korter van snavel en dieper rood.
Verwarringssoorten
De rosse grutto (Limosa lapponica) heeft kortere poten, een licht opgewipte snavel, een gestreepte bovenkant in winterkleed en geen vleugelstreep. De grote grijze snip (Limnodromus scolopaceus) is kleiner en gedrongener, met kortere poten en een witte wig op de rug. In zomerkleed lijkt de grutto van verre op een kemphaan (Calidris pugnax), die echter een korte snavel heeft.
Leefgebied
Zoetwatermoerassen, ondergelopen graslanden, rijstvelden, visvijvers, stuwmeren en waterzuiveringsbekkens; minder op de wadden en in lagunes dan de rosse grutto, al overwinteren IJslandse vogels ook op de kust. Rust in grote groepen op ondiep water.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In Marokko een talrijke wintergast en doortrekker: in de Merja Zerga, de Loukkos-moerassen en de rijstvelden van de Gharb overwinteren tienduizenden vogels, in voorjaarstrek (januari tot maart) aangevuld met trekkers uit West-Afrika. In Algerije en Tunesië een doortrekker en schaarse wintergast op de natte gebieden van het noorden (Lac Tonga, Ichkeul). In Egypte, Israël en Jordanië een gewone doortrekker in maart–april en augustus–oktober, met overwinteraars op de visvijvers in de Hula-vallei en de Bet She'an-vallei en op de Egyptische deltameren. In Irak een doortrekker en wintergast in de Mesopotamische moerassen; op het Arabisch schiereiland een doortrekker en schaarse wintergast in de Golfstaten, Oman en Jemen, vaak op waterzuiveringsvijvers. Daarbuiten broedt hij van IJsland en West-Europa tot Oost-Siberië en overwintert hij in West-Europa, West-Afrika ten zuiden van de Sahara, Zuid-Azië en Australië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In januari en februari houden de rijstvelden en moerassen rond Moulay Bousselham en de Merja Zerga duizenden grutto's; in de Levant zijn de visvijvers van de Hula en de Bet She'an-vallei de beste plekken in de trektijd. In de Emiraten verschijnen ze geregeld bij Al Wathba en de waterzuiveringsvijvers van Al Warsan.
Staat van instandhouding
Gevoelig. De West-Europese broedpopulatie is sterk achteruitgegaan door intensieve graslandlandbouw; ook de rijstteelt en wetlands langs de trekroute zijn van groot belang. In het gidsgebied bedreigd door ontwatering, verdroging van moerassen en jacht.
Wetenschappelijke naam
Limosa limosa | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Scolopax Limosa; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Limosa werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Limosa is Latijn voor 'modderig', van limus 'modder'. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.


