Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Groenpootruiter
Groenpootruiter | Tringa nebularia
Common Greenshank | Archibebe claro
De grootste en meest wijdverbreide ruiter van het gidsgebied: een grijs-witte, hoogpotige vogel met een licht opgewipte snavel, waarvan de luide drieledige roep overal klinkt waar water is, van de Atlantische kust van Marokko tot de mangroven van de Rode Zee en de kreken van Oman. Hij overwintert verspreid en ook alleen, en is zowel aan de kust als in het binnenland te vinden.
Geluid
Een luid, krachtig en helder tjoe-tjoe-tjoe van drie gelijke noten op dezelfde toonhoogte, vaak bij het opvliegen; een van de kenmerkende geluiden van kust en moeras in de winter. Bij onrust een snel tjuk-tjuk-tjuk.
Opname: Eetu Paljakka — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Groot, met een lange, aan de basis grijze en naar de punt donkere snavel die licht omhoog buigt, en lange grijsgroene poten. In winterkleed lichtgrijs van boven met fijne donkere schaftstrepen en witte randen, kop en hals licht gestreept en de onderdelen spierwit; in zomerkleed sterker gestreept met zwarte vlekken op de schouderveren. In vlucht een lange witte wig die van de stuit ver op de rug doorloopt, een donkere, effen bovenvleugel en een lichte, fijn gebandeerde staart; de tenen steken net voorbij de staart uit.
Verwarringssoorten
De poelruiter (Tringa stagnatilis) is veel kleiner en tengerder, met een naaldfijne rechte snavel en een hogere, dunnere roep. De zwarte ruiter (Tringa erythropus) in winterkleed heeft rode poten en een rechte snavel met rood aan de basis. De kleine geelpootruiter (Tringa flavipes), een dwaalgast, is kleiner, met gele poten en een vierkante witte stuit zonder rugwig.
Leefgebied
Een breed scala aan wateren: getijdenvlakten, lagunes, kreken en mangroven aan de kust, zoutpannen, rivieroevers, visvijvers, zuiveringsvijvers, stuwmeren en poelen in wadi's en oases. Jaagt actief op visjes en garnalen, rennend door ondiep water met de snavel half onder water.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Doortrekker en wintergast in het hele gebied. In de Maghreb verspreid langs de kust en op binnenlandse wetlands van Marokko, de Westelijke Sahara, Algerije en Tunesië, met de grootste aantallen op de Atlantische lagunes en in de golf van Gabès; in Libië schaars langs de kust. Egypte: langs de Nijl, op de deltameren en langs de Rode Zee, ook in de mangroven van het zuiden. In de Levant en Irak een algemene doortrekker en wintergast. Op het Arabisch Schiereiland wijdverbreid: in de Emiraten een zeer algemene doortrekker en wintergast van augustus tot april, met enkele overzomeraars; ook langs de kusten van Koeweit, Bahrein, Qatar, Saoedi-Arabië, Oman en Jemen, op Socotra en in het binnenland bij waterzuiveringen en irrigatiepoelen. Op trek ook in de oases van de Sahara en de Arabische woestijnen. Broedt van Schotland en Fennoscandinavië door de taiga tot Kamtsjatka; overwintert verder in West-Europa, Afrika ten zuiden van de Sahara, Zuid-Azië en Australië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Luister bij elk water naar de drieledige roep: vaak hoor je de groenpootruiter voor je hem ziet. In de Golfstaten en Oman staan in de winter groepjes op de kreken en in de mangroven, zoals bij Khor Kalba en in Dhofar; in de Maghreb zijn de lagunes van Merja Zerga en Oualidia goede plekken. Kijk hoe hij jaagt: met snelle sprintjes en zwaaiende snavel door het ondiepe water.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC) en met een grote, stabiele populatie in de boreale zone. In het gidsgebied lijden kustwetlands en mangroven onder ontwikkeling en vervuiling, maar de soort is flexibel en gebruikt ook kunstmatige wateren als visvijvers, zoutpannen en waterzuiveringen.
Wetenschappelijke naam
Tringa nebularia | (Gunnerus, 1767)
Gunnerus beschreef de soort in 1767 als Scolopax nebularia; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tringa werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Tringa is de neolatijnse naam die Aldrovandi aan het witgatje gaf, naar het Griekse trungas, bij Aristoteles een waadvogel zo groot als een lijster, met witte stuit en wippende staart. nebularia is Latijn, bij nebula 'nevel, mist', naar de drassige en mistige streken waar de vogel broedt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Trondheim in Noorwegen.


