Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Grauwe pijlstormvogel
Grauwe pijlstormvogel | Ardenna grisea
Sooty Shearwater | Pardela sombría
Een donkere, snelle pijlstormvogel met zilverachtige ondervleugels, die op zuidelijke oceaaneilanden broedt en in de noordelijke zomer in een grote lus door de oceanen trekt. In het gidsgebied een schaarse doortrekker voor Marokko en, verrassend genoeg, ook in de Golf van Oman.
Geluid
Op zee stil. In de kolonie ’s nachts een kreunend, koerend oo-ah-oo-ah.
Opname: David Boyle — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
Middelgroot en stevig, met een vrij kleine kop, een slanke zwarte snavel en lange, smalle, spitse vleugels die ver naar achteren lijken te staan. Geheel donker grijsbruin, alleen de ondervleugeldekveren zijn zilverachtig wit tot grijs en lichten bij zon op als een bleke baan; de staart is kort en rond, de poten steken er niet of nauwelijks voorbij. Vliegt snel en doelgericht met series krachtige, stijve slagen en korte glijvluchten, bij harde wind in hoge bogen.
Verwarringssoorten
De wigstaartpijlstormvogel (Ardenna pacifica) en de australische grote pijlstormvogel (Ardenna carneipes) in Arabische wateren zijn geheel donker, ook op de ondervleugel, en hebben een lichte, roze snavel en een tragere vlucht. De vale pijlstormvogel (Puffinus mauretanicus), die ’s winters langs de Marokkaanse kust voorkomt, is kleiner, met een vuilwitte buik en snellere slagen. Jonge jagers, zoals de middelste jager (Stercorarius pomarinus), hebben witte vlekken in de handpennen en een andere vlucht.
Leefgebied
Open zee, ook boven het continentaal plat; tijdens de trek soms dicht onder de kust te zien, vooral bij aanlandige wind. In de Golf van Oman vrijwel alleen binnen een paar kilometer van de kust. Broedt in holen op eilanden in de zuidelijke oceanen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het gidsgebied vooral een herfstdoortrekker langs de Atlantische kust van Marokko, van Tanger tot de Westelijke Sahara, meestal in kleine aantallen en vanaf boten wat vaker dan vanaf de kust, zoals bij Agadir en Cap Rhir. In de Straat van Gibraltar en de westelijke Middellandse Zee zeldzaam; verder naar het oosten nauwelijks. In de Golf van Oman voor de oostkust van de Emiraten jaarlijks in zeer kleine aantallen van april tot juni, vooral eind april en mei (tot twaalf op één dag); in Oman zijn slechts enkele gevallen bekend, vooral in april en mei. Daarbuiten broedt hij rond Nieuw-Zeeland, Zuid-Australië, Zuid-Chili, Vuurland en de Falklandeilanden; in de zuidelijke winter trekt hij naar de noordelijke Atlantische en Stille Oceaan.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zeetrekwaarneming bij harde westenwind aan de Marokkaanse Atlantische kust in september en oktober, of een zeetocht vanuit Agadir in het najaar, biedt de beste kans. In de Emiraten zijn boottochten vanuit Fujairah of Dibba eind april en mei de beste gelegenheid.
Staat van instandhouding
Gevoelig. De wereldpopulatie telt nog vele miljoenen vogels, maar is sterk afgenomen door bijvangst in de visserij, traditionele oogst van jongen in Nieuw-Zeeland, ratten en de opwarming van het zeewater. In het gidsgebied een schaarse doortrekker.
Wetenschappelijke naam
Ardenna grisea | (Gmelin, 1789) (GBIF: Puffinus griseus)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Procellaria grisea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ardenna werd in 1853 ingevoerd door Reichenbach. Ardenna gaat terug op Artenna, de spelling die de Italiaanse natuuronderzoeker Ulisse Aldrovandi in 1603 voor een zeevogel gebruikte en die Reichenbach bij de naamgeving aanhaalde. grisea is middeleeuws Latijn voor 'grijs'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Nieuw-Zeeland.
