Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Goudplevier
Goudplevier | Pluvialis apricaria
European Golden-Plover | Chorlito dorado europeo
Een middelgrote, goudgespikkelde plevier van open akkers en kale vlakten, die in het gidsgebied vooral in het noorden overwintert: van de Marokkaanse graanvlakten tot de Levant en Irak. In zachte winters blijven de meeste vogels in West-Europa; bij strenge vorst daar komen er veel meer naar Noord-Afrika.
Geluid
Een zacht, melancholiek, eentonig fluitje, tluu of pjuu, licht dalend; groepen laten een zacht gemompel horen.
Opname: Paul Kelly — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Slanke plevier met een ronde kop, korte zwarte snavel en groot donker oog. Winterkleed: bovendelen bruinzwart met dichte goudgele spikkels, borst geelbruin gespikkeld en gestreept, buik wit; een vage lichte wenkbrauw geeft het gezicht een zachte uitdrukking. Zomerkleed (bij vertrekkende vogels vanaf maart): zwart van gezicht en keel tot buik, afgezet met een witte rand van voorhoofd tot flank; noordelijke vogels zijn zwarter dan zuidelijke. In vlucht: een witte ondervleugel met witte okselveren, een smalle witte vleugelstreep en geen witte stuit; vliegt in snelle, strakke groepen.
Verwarringssoorten
De Aziatische goudplevier (Pluvialis fulva) is slanker en hoger op de poten, met grijze okselveren, een sterker getekende wenkbrauw en lange tertials; in Arabië vaker dan de goudplevier. De Amerikaanse goudplevier (Pluvialis dominica) is grijzer, met een duidelijke witte wenkbrauw, lange vleugelpunten en grijze okselveren. De zilverplevier (Pluvialis squatarola) is groter en grijs, met zwarte okselveren en een witte stuit. De morinelplevier (Eudromias morinellus) is kleiner, met brede lichte wenkbrauwen die in de nek samenkomen en een lichte borstband.
Leefgebied
Open akkers, braakland, kortgegraasde weiden en droge steppen, ook de randen van zoutmeren en chotts; in Noord-Afrika vooral op graanvelden en kale vlakten, in de Levant op velden in de dalen. Vaak samen met kieviten. Foerageert ook 's nachts, op natte velden en aan meeroevers.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Wintergast in Noord-Marokko (de vlakten van de Gharb, Saïss, Chaouia en Doukkala, schaarser tot de Souss), Noord-Algerije (kustvlakten en hoogvlakten), Noord-Tunesië (onder meer rond Ichkeul en Kairouan) en schaars in Noord-Libië en Noordwest-Egypte (rond de Nijldelta). In het oosten in Israël (Hulavallei, Jezreëlvallei en noordelijke Negev), Libanon (Beka'a), Syrië, Jordanië en Irak; schaars in Koeweit en Noordoost-Saoedi-Arabië en zeldzaam verder in Arabië. Broedt van IJsland en Groot-Brittannië via Scandinavië tot Centraal-Siberië; overwintert vooral in West-Europa en rond de Middellandse Zee.
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zoek groepen van december tot februari op de graanvlakten rond Meknes en Fès of in de Hulavallei in Israël. Scan groepen kieviten op akkers: goudplevieren lopen er vaak tussen of vliegen met ze op. In Arabië is elke goudplevier het controleren waard op de veel gewonere Aziatische.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd; de Europese broedpopulatie is plaatselijk afgenomen door ontwatering, bebossing en intensieve begrazing van hoogvenen en heiden. In het gidsgebied wordt hij op de overwinteringsvlakten bejaagd, vooral in Noord-Afrika en de Levant, en verliest hij foerageergebied door intensivering van de landbouw.
Wetenschappelijke naam
Pluvialis apricaria | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Charadrius apricarius; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pluvialis werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Pluvialis is Latijn voor 'van de regen', van pluvia 'regen', naar het oude geloof dat deze plevieren samendromden wanneer er regen op komst was. apricaria is Latijn, van apricari 'zich koesteren in de zon', bij apricus 'zonnig'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Lapland.


