Alle soorten › Zangvogels › Gorzen › Gestreepte gors

Gestreepte gors | Emberiza striolata

Striolated Bunting | Escribano estriado

De gestreepte gors is een kleine, warmbruine gors van rotsige woestijnbergen, kloven en wadi’s, van de Sinaï en de Negev tot Oman. Hij is de oostelijke tegenhanger van de huisgors en wordt meestal als aparte soort behandeld; anders dan die soort leeft hij vooral buiten de dorpen.

Gestreepte gors (Emberiza striolata)
Foto: Greg Schechter from San Francisco, USA — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is kort en droog: een handvol snelle, wat schetterende tonen met een dalend slot, witsj-witsj-wietsjie-tsjuu, in korte reeksen herhaald vanaf een rotsblok of richel, het vaakst in de vroege ochtend en de late namiddag. De roep is een nasaal, iets omhoog getrokken tsjwiep dat tussen de rotswanden lang doorklinkt.

Luister: ZangXC1104515

Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

14 cm, klein en kortgestaart, zonder wit in de staart. De kop is grijs met scherpe donkere en witte strepen: een lichte kruinstreep tussen donkere banden, een witte wenkbrauw, een donkere oogstreep en een witte streep onder de wang. Keel en borst zijn grijs met fijne donkere streepjes. De rug is grijsbruin met duidelijke donkere strepen, de vleugels roestbruin, de buik warm kaneelbruin. De bovensnavel is donker, de ondersnavel oranjegeel. Het vrouwtje is iets doffer, met minder contrast op de kop.

Verwarrings­soorten

De huisgors (Emberiza sahari) in Noord-Afrika heeft een minder scherp getekende kop, een vrijwel ongestreepte grijze keel en een ongestreepte rug. De zevenstrepengors (Emberiza tahapisi) in het zuidwesten van Arabië heeft bij het mannetje een zwarte kop en keel met helderwitte strepen en een diep kaneelbruine onderkant. Vrouwtjes van de bruinkeelortolaan (Emberiza caesia) en ortolaan (Emberiza hortulana) hebben een lichte oogring, wit in de staart en een roze snavel.

Leefgebied

Kale en schaars begroeide rotsbergen, kloven en canyons, wadi’s met wat struiken en acacia’s, puinhellingen en de randen van oases, van zeeniveau aan de Dode Zee tot hoog in de bergen. Komt drinken bij bronnen, waterbakken en lekkende leidingen, en zit in Arabië ook in dorpen en rond boerderijen. Foerageert op de grond op zaden en kleine insecten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In Egypte in de bergen van de Sinaï, de Oostelijke Woestijn langs de Rode Zee en de Gebel Elba; in Israël en Jordanië in de Negev, het Dode Zeegebied, de Arava en de woestijnbergen van het zuiden; in Saoedi-Arabië wijdverbreid in rotsig terrein, van de Hidjaz en de Asir tot het centrale plateau; verder in Jemen, in Oman (Hadjar-gebergte en Dhofar) en in het oosten van de Verenigde Arabische Emiraten (Hadjar-gebergte, Jebel Hafeet). Zeldzaam of dwaalgast in Koeweit, Irak en Syrië. Daarbuiten van Soedan en de oostelijke Sahel over Iran en Afghanistan tot Pakistan en Noordwest-India.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Goed te zien in de kloven rond Eilat, bij Ein Gedi en in Wadi Rum en Petra, en in de bergen van de Emiraten en Oman bij Jebel Hafeet. Een druppelende waterleiding of een bron in een droge kloof trekt de vogels van wijd en zijd; ga er in de ochtend rustig zitten.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en wijdverbreid. In het gidsgebied plaatselijk algemeen in geschikt rotsterrein. Droogte kan de stand tijdelijk doen dalen, en kunstmatig water bij dorpen en toeristenplaatsen biedt hem nieuwe mogelijkheden.

Wetenschappelijke naam

Emberiza striolata | (Lichtenstein, 1823)

Lichtenstein beschreef de soort in 1823 als Fringilla striolata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Emberiza werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Emberiza komt uit het Oudhoogduits, van Embritz, een naam voor een gors. striolata is Latijn voor 'fijn gestreept', een verkleinvorm bij stria 'streep', naar de streping op kop en rug. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Ambukol in Soedan.