Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Gele kwikstaart
Gele kwikstaart | Motacilla flava
Western Yellow Wagtail | Lavandera boyera
De gele kwikstaart is de kortstaartige gele kwikstaart van natte weiden en akkers, en in het gidsgebied vooral een vogel van de trek: in april trekken er honderdduizenden door de Nijlvallei, de Sinaï en de Jordaanvallei. Bijna alle vormen van de soort, elk met een eigen koptekening bij het mannetje, zijn hier te zien.
Geluid
De roep is een vol, zangerig psrie of tsli-ie; die van feldegg en verwante zuidoostelijke vormen klinkt rauwer, srrie. De zang is eenvoudig: een paar krassende roepachtige tonen, srie-srie-sriet, van een stengel of paaltje.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
15–16 cm. Kleiner en vooral korter van staart dan de andere kwikstaarten, met zwarte poten en een fijne zwarte snavel. De bovendelen zijn olijfgroen, de onderdelen geel, bij het mannetje in het voorjaar helder geel tot op de onderstaartdekveren; de vleugel is donker met twee smalle lichte banden en de staart zwart met witte buitenste staartpennen. De kop van het mannetje verschilt per vorm: iberiae (Maghreb) grijs met een witte wenkbrauwstreep en witte keel; pygmaea (Egypte) klein en donker, met een grijze kop zonder of met een vage wenkbrauw; feldegg (Levant, Irak) geheel glanzend zwart; flava blauwgrijs met witte wenkbrauw; thunbergi leigrijs zonder wenkbrauw, met donkere wangen; beema bleek grijs met brede witte wenkbrauw en witte keel; lutea vrijwel geheel geel; cinereocapilla grijs met witte keel en hooguit een witte vlek achter het oog. Vrouwtjes zijn doffer, en jonge vogels in het najaar zijn beigebruin met een roomkleurige wenkbrauw en een halsbandje van donkere vlekjes.
Verwarringssoorten
De citroenkwikstaart (Motacilla citreola) is in alle kleden grijs van boven zonder olijfgroen, heeft bredere witte vleugelbanden en een bleke omlijsting rond het oorveld; jongen zijn wit onder. De oostelijke gele kwikstaart (Motacilla tschutschensis), in het gebied een dwaalgast, is in jeugdkleed koel grijsbruin met een witte keel en een rauwe, raspende roep. De grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea) heeft een veel langere staart, een grijze rug, roze poten en een gele stuit. Overgangsvormen tussen de rassen (zoals superciliaris, een zwartkopvogel met witte wenkbrauw) maken een deel van de mannetjes niet op ras te brengen.
Leefgebied
Vochtige weilanden, natte akkers, rijst- en klaverakkers, irrigatiegebied met vee, oevers van meren en moerassen en, op de trek, ook gazons, golfbanen, rioolwaterzuiveringen en grasvelden in oases. Volgt vaak koeien, kamelen en schapen om opgejaagde insecten te vangen. In de winter slaapt hij in grote groepen in rietvelden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
De vorm iberiae broedt in Marokko, Noord-Algerije en Tunesië en verder schaars tot in Libië; pygmaea leeft het hele jaar in de Nijldelta en de Nijlvallei, de Fajoem en de oases van Egypte. feldegg broedt in Syrië, Libanon, Noord-Israël (schaars) en Irak. In het voorjaar trekken alle noordelijke vormen in zeer grote aantallen door Egypte, de Sinaï, Israël, Jordanië en Arabië, en langs de Middellandse Zee door Libië en Tunesië. Overwintert in de Nijlvallei, Zuidwest-Arabië, langs de Golf en in Zuid-Irak, schaars elders. Daarbuiten broedt de soort van Europa tot Centraal-Siberië en Mongolië en overwintert hij in Afrika ten zuiden van de Sahara en in India.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Half april langs de Nijl, in Eilat of in de Jordaanvallei: groepen van tientallen tot honderden in akkers en tussen vee, met een kleurrijke mengeling van rassen. Neem de tijd om de koppen van de mannetjes te bekijken, want zelden zie je zoveel vormen naast elkaar. In de Egyptische landbouwgebieden is pygmaea jaarrond aanwezig.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar in delen van het broedgebied in Europa sterk afgenomen door intensivering van de landbouw. In het gidsgebied hangt de soort af van natte graslanden en irrigatielandbouw; het verdwijnen van wetlands kost leefgebied, terwijl bevloeiing in de woestijn op de trek nieuwe pleisterplaatsen schept.
Wetenschappelijke naam
Motacilla flava | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Motacilla voerde hij in datzelfde werk in. Motacilla was bij de Romeinen de naam van de kwikstaart; het is eigenlijk een verkleinvorm van motare 'heen en weer bewegen', maar sinds de middeleeuwen werd -cilla ten onrechte als 'staart' opgevat. flava is Latijn voor 'goudgeel', naar de gele onderdelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zuid-Zweden.


